Einde inhoudsopgave
De kosten van de enquêteprocedure (VDHI nr. 177) 2022/7.4.6.1
7.4.6.1 Inleiding
mr. P.H.M. Broere, datum 12-05-2022
- Datum
12-05-2022
- Auteur
mr. P.H.M. Broere
- JCDI
JCDI:ADS652502:1
- Vakgebied(en)
Ondernemingsrecht (V)
Ondernemingsrecht / Rechtspersonenrecht
Voetnoten
Voetnoten
Handelingen II 1909/10, 217, 2, p. 11; Handelingen II 1909/10, 217, 3, p. 42. Zie ook Belinfante 1929, p. 99.
OK 8 december 2015 (r.o. 3.3-3.4), ARO 2016/11 (Phanos Reit); OK 8 april 2016 (r.o. 2.2), ARO 2016/87 (VTS); OK 27 september 2016 (r.o. 2.4), ARO 2017/28 (Fabius). Zie ook OK 5 oktober 2015 (r.o. 2.8), ARO 2015/222 (Leaderland). Vgl. ook OK 4 juni 2013 (r.o. 3.4), ARO 2013/102 (Böhmer Beheer). Anders nog OK 18 januari 2008 (r.o. 2), ARO 2008/24 (Hadenta); OK 12 augustus 2011 (r.o. 2), ARO 2011/131 (MEI).
Hiernaast zijn mij bekend OK 4 juni 1992, NJ 1992/717 (Avantgarde), waarover par. 6.5.3; OK 9 augustus 2006 (dictum), ARO 2006/156 (Euroyal Properties), waarover par. 6.3.6; OK 9 januari 2020, ARO 2020/45 (RSW Property); OK 28 april 2020, ARO 2020/101 (RSW Property), waarover par. 6.3.2. Verder valt nog te wijzen op Gem. Hof 14 januari 2014 (r.o. 2.1), ARO 2014/49 (TC); Gem. Hof 18 februari 2014, ARO 2014/78 (TC), maar dat betreft een Curaçaose enquêteprocedure, waarin het Gemeenschappelijk Hof ingevolge art. 2:274 lid 3 CBW kan bepalen dat de enquêteverzoeker voor de betaling van de kosten van het onderzoek zekerheid moet stellen, zie ook par. 6.5.3.
Zoals hiervoor in par. 6.5.3 en par. 7.2 vermeld kreeg de (toen nog) rechtbank in het Ontwerp van het Wetboek van Koophandel 1890 de vrijheid reeds bij de beschikking tot toewijzing van het enquêteverzoek de kosten van het onderzoek ten laste van onder meer bestuurders of commissarissen te brengen. In het Ontwerp 1910 verdween deze mogelijkheid. De minister merkte hier in de memorie van toelichting over op: ‘Wanneer de beschikking, waarbij het onderzoek gelast wordt, wordt genomen, zal de rechtbank nog niet met kennis van zaken omtrent de betaling der kosten kunnen beslissen.’1 De regeling uit het Ontwerp 1910 werd opgenomen in de wettekst van 1929. Sindsdien gaat de wet enkel uit van een verhaalsmogelijkheid voor de kosten van het onderzoek na afronding van de onderzoeksfase, niet van een verlegging van de kosten van het onderzoek naar een ander reeds voorafgaand aan het onderzoek.
Het is in de kern de door de minister aangedragen argumentatie die mijns inziens nog altijd verhindert dat de Ondernemingskamer art. 2:354 BW anticiperend toepast, door bij het gelasten van een enquête reeds te bepalen dat bestuurders, commissarissen of anderen in dienst van de rechtspersoon verplicht de kosten van het onderzoek dienen te financieren. Zonder een gedegen onderzoek naar het beleid en de gang van zaken van de rechtspersoon moet de Ondernemingskamer niet vooruitlopen op een oordeel over art. 2:354 BW. De Ondernemingskamer acht dit kennelijk wel mogelijk, indien sprake is van een ‘zeer uitzonderlijke situatie’.2 Uit de jurisprudentie zijn enkele gevallen bekend waarin de Ondernemingskamer vooruitliep op toepassing van art. 2:354 BW, in Van Lier-Van der Lans (par. 7.4.6.2), Hello Amsterdam (par. 7.4.6.3) en L’Étoile (par. 7.4.6.4).3