Einde inhoudsopgave
De positie van aandeelhouders bij preventieve herstructureringen (VDHI nr. 163) 2020/6.3
6.3 Onderhands schuldeisersakkoord
mr. S.C.E.F. Moulen Janssen, datum 02-02-2020
- Datum
02-02-2020
- Auteur
mr. S.C.E.F. Moulen Janssen
- JCDI
JCDI:ADS197783:1
- Vakgebied(en)
Ondernemingsrecht / Rechtspersonenrecht
Voetnoten
Voetnoten
Misbruik van bevoegdheid was de grondslag in HR 12 augustus 2005, ECLI:NL:HR:2005:AT7799, NJ 2006/230 (Payroll). Vóór dit arrest werd daarnaast ook de grondslag uit art. 6:2 BW, art. 6:248 lid 2 BW of art. 6:162 BW genoemd, zie o.a. Houben 2006, p. 97 en Wessels 2013, par. 6212.
Zie Van der Heiden 1997 en Wessels 2013, par. VII.4.
HR 12 augustus 2005, ECLI:NL:HR:2005:AT7799, NJ 2006/230 (Payroll), r.o. 3.5.4. Het is niet vereist dat alle schuldeisers bij het akkoord zijn betrokken. Zie HR 24 maart 2017, ECLI:NL:HR:2017:485, JOR 2017/209 waarbij het overgrote deel van de schuldeisers betrokken was bij het akkoord.
HR 12 augustus 2005, ECLI:NL:HR:2005:AT7799, NJ 2006/230 (Payroll).
Een aandeelhouder kan in het kader van noodzaakfinanciering worden gedwongen mee te werken aan een preventieve herstructurering. Onder bijzondere omstandigheden kan ook een schuldeiser worden gedwongen mee te werken aan een preventieve herstructurering – een onderhands schuldeisersakkoord – buiten de hierna te bespreken surseanceprocedure en de WHOA om. De WHOA ligt echter meer voor de hand wanneer niet één maar meerdere schuldeisers dwarsliggen.
Het onderhands schuldeisersakkoord kent een vergelijkbare grondslag als noodzaakfinanciering, namelijk misbruik van bevoegdheid, de species van de redelijkheid en billijkheid.1 De vennootschap kan ervoor kiezen, in het zicht van een dreigend faillissement, een voorstel te doen aan haar schuldeisers, betreffende bijvoorbeeld de gedeeltelijke kwijtschelding van hun vorderingen. Contractsvrijheid is daarbij het uitgangspunt. Het akkoord moet behoorlijk onderbouwd zijn, inzicht geven in de financiële situatie van de vennootschap, begeleid en opgesteld zijn door een deskundige en aanvaard zijn door een gekwalificeerde meerderheid van de schuldeisers.2 Slechts in zeer uitzonderlijke omstandigheden kunnen individuele schuldeisers worden gedwongen akkoord te gaan met het voorstel. Terughoudendheid is geboden. De vennootschap zelf moet stellen en, zo nodig, bewijzen dat de schuldeiser naar redelijkheid niet tot weigering van instemming met het akkoord heeft kunnen komen.3 De Hoge Raad oordeelde in het arrest Payroll dat voor een dwangdeelname het niet voldoende is dat de schuldeiser op de hoogte is (of had moeten zijn) van de slechte financiële positie van de vennootschap en het dreigende faillissement.4
In de volgende paragraaf komt de surseanceprocedure aan bod, die een wettelijke dwangakkoordregeling ten aanzien van concurrente schuldeisers bevat.