Bedrijfsopvolging bij natuurlijke personen
Einde inhoudsopgave
Bedrijfsopvolging bij natuurlijke personen (FM nr. 141) 2013/6.3.2.3:6.3.2.3 Invorderingsfaciliteit voor de voortzetter
Bedrijfsopvolging bij natuurlijke personen (FM nr. 141) 2013/6.3.2.3
6.3.2.3 Invorderingsfaciliteit voor de voortzetter
Documentgegevens:
Dr. Y.M Tigelaar-Klootwijk, datum 01-09-2013
- Datum
01-09-2013
- Auteur
Dr. Y.M Tigelaar-Klootwijk
- JCDI
JCDI:ADS350348:1
- Vakgebied(en)
Belastingrecht algemeen (V)
Deze functie is alleen te gebruiken als je bent ingelogd.
In de vorige paragraaf heb ik ten aanzien van de voorwaardelijke vrijstelling voor de waarde going concern aangegeven terug te willen keren naar de situatie van vóór 1 januari 2010. De voorwaardelijke vrijstelling die gericht is op 100% van het ondernemingsvermogen tot een bedrag van € 1.028.132 moet komen te vervallen. Naar mijn mening wordt strijdigheid met het gelijkheidsbeginsel steeds aannemelijker indien het percentage hoger wordt dan 50. Mijn voorkeur gaat uit naar een lager percentage maar ik onderken dat de keuze voor een vrijstellingspercentage, gezien het generieke karakter van de faciliteit, altijd arbitrair is. Uiteindelijk is dit een keuze die tot stand moet komen in het democratisch proces. Voor de belasting betrekking hebbend op de verkrijging van ondernemingsvermogen dat na toepassing van het vrijstellingspercentage niet wordt vrijgesteld kan, zoals gebeurt op grond van het huidige art. 25, twaalfde lid, IW 1990, uitstel van betaling worden gegeven. Zoals ook voorgesteld voor de andere invorderingsfaciliteiten moet de faciliteit in ieder geval (marktconform) rentedragend worden gemaakt (zie uitgebreider paragraaf 6.2.1.3.a). Het gebruik van de faciliteit wordt dan afgeremd tot die situaties waarin de faciliteit echt nodig is. De in art. 25, twaalfde lid, IW 1990 opgenomen beëindigingsgronden kunnen ongewijzigd worden overgenomen.