Antichresis en pandgebruik
Einde inhoudsopgave
Antichresis en pandgebruik (O&R nr. 125) 2021/6.2.5:6.2.5 Aansprakelijkheid voor onbevoegd gebruik
Antichresis en pandgebruik (O&R nr. 125) 2021/6.2.5
6.2.5 Aansprakelijkheid voor onbevoegd gebruik
Documentgegevens:
mr. R. Bobbink, datum 01-02-2021
- Datum
01-02-2021
- Auteur
mr. R. Bobbink
- JCDI
JCDI:ADS264472:1
- Vakgebied(en)
Insolventierecht / Faillissement
Goederenrecht / Genotsrechten
Goederenrecht / Zekerheidsrechten
Toon alle voetnoten
Voetnoten
Voetnoten
§1217 BGB; Damrau 2020, nr. 1217.5.
Deze functie is alleen te gebruiken als je bent ingelogd.
De pandhouder is aansprakelijk voor schade die hij heeft veroorzaakt doordat hij het onderpand onbevoegd heeft gebruikt.1 Als de pandhouder het onderpand onbevoegd heeft gebruikt en de vruchten van dit gebruik heeft getrokken, dient hij de getrokken vruchten af te staan aan de pandgever. Is dit niet meer mogelijk, dan dient hij de waarde van de vruchten aan de pandgever te vergoeden. Deze waarde kan niet naar analogie van §1214 BGB in mindering komen op de gesecureerde vordering: de pandhouder heeft geen recht op deze vruchten en mag zijn vordering niet uit de waarde van deze vruchten voldoen.2
Het BGH overwoog het voorgaande in een arrest uit 2014.3 Deze zaak speelde tussen de curatoren van een gefailleerde verhuurder en een gefailleerde huurder. De huurder huurde een pand van de verhuurder. De huurder exploiteerde in dit pand een fitnesssalon, en had daartoe fitnessapparaten in het verhuurde pand gebracht. Hij was eigenaar van deze fitnessapparaten. De verhuurder had op grond van de wet een vuistloos pandrecht op deze fitnessapparaten (Vermieterpfandrecht: §§562-562d BGB). De huurder kwam in verzuim met de betaling van de huur. De verhuurder zegde de huur daarom op, en nam de fitnessapparaten in vuistpand. Vervolgens failleerden zowel de verhuurder als de huurder. De curator van de verhuurder, inmiddels vuistpandhouder van de fitnessapparaten, verhuurde de fitnessapparaten aan derden en inde zelf de verschuldigde huursommen (hierna: de burgerlijke vruchten).4 De curator van de huurder vorderde dat de curator van de verhuurder de burgerlijke vruchten afstond, omdat de curator van de verhuurder geen recht van pandgebruik had en daarom geen recht had op de burgerlijke vruchten. Zij kwamen toe aan de eigenaar van de fitnessapparaten: de huurder. De curator van de verhuurder verweerde zich. Hij voerde aan dat hij weliswaar niet bevoegd was tot pandgebruik en verhuur van de fitnessapparaten, maar dat hij naar analogie van §1214 BGB de burgerlijke vruchten toch in mindering mocht brengen op de gesecureerde vordering. Subsidiair betoogde hij dat hij de schuld tot afgifte van de burgerlijke vruchten mocht verrekenen met de door het Vermieterpfandrecht gesecureerde huurvordering. Het BGH wees beide verweren af. Analoge toepassing van §1214 BGB zou ertoe leiden dat de pandhouder zijn zekerheid, en daarmee zijn voorrang, kon uitbreiden op de vruchten van het onderpand door onbevoegd het recht van pandgebruik uit te oefenen. De curator van de verhuurder diende de burgerlijke vruchten dus af te staan aan de curator van de huurder.5 De curator van de verhuurder kon deze schuld niet verrekenen met zijn door het Vermieterpfandrecht gesecureerde huurvordering. De schuld tot het afstaan van de burgerlijke vruchten was pas in het faillissement van de huurder ontstaan, en kwam dus niet voor verrekening in aanmerking (§96 Abs. 1 InsO).6 Het BGH ging niet in op de vraag of de pandhouder die onbevoegd vruchten van het onderpand had getrokken zijn hierdoor ontstane verplichting tot afgifte buiten faillissement wel zou mogen verrekenen.7