De uitvoering van Europese subsidieregelingen in Nederland
Einde inhoudsopgave
De uitvoering van Europese subsidieregelingen in Nederland (R&P nr. SB6) 2012/5.8.3.1:5.8.3.1 Algemeen
De uitvoering van Europese subsidieregelingen in Nederland (R&P nr. SB6) 2012/5.8.3.1
5.8.3.1 Algemeen
Documentgegevens:
Mr. J.E. van den Brink, datum 13-12-2012
- Datum
13-12-2012
- Auteur
Mr. J.E. van den Brink
- JCDI
JCDI:ADS396087:1
- Vakgebied(en)
Bestuursrecht algemeen (V)
Deze functie is alleen te gebruiken als je bent ingelogd.
Uit de vorige paragraaf volgt dat eindontvangers van Europese subsidies niet de mogelijkheid hebben om geschillen die zijn ontstaan in het kader van een nationale subsidieverhouding, bij het Hof van Justitie aan de orde te stellen. Dit is alleen anders indien de Europese subsidie wordt teruggevorderd, omdat de Europese Commissie bij besluit dat is gericht tot de lidstaat heeft geoordeeld dat sprake is van ongeoorloofde staatssteun. In dat geval kan de eindontvanger van de Europese subsidie tegen dat besluit opkomen, ook á is dit gericht tot de lidstaat. In alle andere gevallen dient rechtsbescherming op nationaal niveau plaats te vinden.
Verder is gebleken dat decentrale overheden die fungeren als nationale uitvoeringsorganen die de Europese subsidies verstrekken niet de mogelijkheid hebben om Commissiebesluiten, waarbij Europese gelden waarmee deze Europese subsidies worden bekostigd worden teruggevorderd van de lidstaat, bij het Gerecht aan te vechten. Decentrale overheden kunnen slechts opkomen tegen besluiten van de centrale overheid waarbij wordt besloten de aan de EU terugbetaalde gelden op de decentrale overheden te verhalen door middel van een verhaalsbesluit. Deze rechtsbescherming vindt eveneens op nationaal niveau plaats.
Er zijn derhalve verschillende soorten geschillen denkbaar die door de nationale rechter moeten worden beslecht. In de eerste plaats geschillen tussen het nationaal uitvoeringsorgaan en de (potentiële) eindontvanger over het (niet) verstrekken van Europese subsidies dan wel de intrekking en terugvordering daarvan. In de tweede plaats zijn geschillen denkbaar tussen decentrale overheden die belast zijn met de uitvoering van een Europese subsidieregeling en de centrale overheid, namelijk wanneer de centrale overheid wordt geconfronteerd met een terugvorderingsbesluit van de Europese Commissie en de teruggevorderde gelden wenst te verhalen op de decentrale overheid door middel van een verhaalsbesluit. Ten derde zijn geschillen denkbaar tussen het nationaal uitvoeringsorgaan en concurrenten van de eindontvanger van de Europese subsidie. Een concurrent kan immers beroep instellen tegen besluiten tot verstrekking van Europese subsidies die zijn gericht tot de eindontvangers, omdat sprake zou zijn van ongeoorloofde staatssteun.
In deze paragraaf komt aan de orde aan welke eisen de rechtsbescherming door de nationale rechter moet voldoen. Ingegaan wordt op het verdedigingsbeginsel (5.8.3.2), het beginsel van effectieve rechtsbescherming (5.8.3.3), in hoeverre de nationale rechter is gehouden om prejudiciële vragen te stellen (5.8.3.4) en de vraag in hoeverre de nationale rechter is gehouden om ambtshalve te toetsen aan de Europese subsidieregelgeving (5.8.3.5).