Einde inhoudsopgave
Het voorlopig getuigenverhoor (BPP nr. XVII) 2015/333
333 Factor 1: het karakter van de geheime gegevens
Mr. E.F. Groot, datum 01-01-2015
- Datum
01-01-2015
- Auteur
Mr. E.F. Groot
- JCDI
JCDI:ADS455870:1
- Vakgebied(en)
Burgerlijk procesrecht / Bewijs
Voetnoten
Voetnoten
Van der Korst 2007, p. 87 en 89.
Indien dit wel zo is, zal een verzoek tot het houden van een voorlopig getuigenverhoor moeten worden afgewezen op grond van onvoldoende belang. Als de bedrijfsgeheimen in de hoofdzaak niet in het geding gebracht mogen worden, heeft het houden van een voorlopig getuigenverhoor geen nut.
Van der Korst 2007, p. 17-21 en p. 131-133. Zie daar ook de andere gegevens die vallen in deze categorie.
Rb. Arnhem 30 maart 2001, ECLI:NL:RBARN:2001:AD4256, NJ 2001, 488.
Van der Korst 2007, p. 21-22. Van der Korst schrijft dat de onderneming aanspraak kan maken op het (grond)recht op eigendom vastgelegd in het EVRM, het Europees Handvest en het TRIPsverdrag. In Rb. ’s-Gravenhage 21 december 2005, ECLI:NL:RBSGR:2005:AU8406 werd een verklaring voor recht gevorderd dat bepaalde informatie een bedrijfsgeheim vormde (i.c. was sprake van een bedrijfsgeheim van de 2e categorie). De eiser leidde uit het Nederlandse recht, het gemeenschapsrecht, art. 39 TRIPs en het Amerikaanse recht af, dat zes cumulatief toe te passen rechtselementen bepalen of sprake is van een bedrijfsgeheim of niet: “(1) de mate waarin de informatie buiten het bedrijf bekend is; (2) de mate waarin de informatie bekend is bij werknemers en anderen die betrokken zijn bij het bedrijf; (3) de maatregelen die het bedrijf heeft genomen om de vertrouwelijkheid van de informatie te beschermen; (4) de waarde van de informatie voor het bedrijf en zijn concurrenten; (5) het bedrag of de inspanningen die voor het bedrijf zijn gemoeid met de ontwikkeling van de informatie; (6) het gemak of de moeite, waarmee anderen door eigen inspanning de informatie zouden kunnen verwerven of dupliceren.” De vordering werd toegewezen.
Van der Korst 2007, p. 22-26.
Deze soorten informatie noemt Pors 2013, p. 126-127.
Zie ook Gielen 1999, p. 4-5. Hij hanteert de ruime term bedrijfsgeheimen voor alle geheime informatie binnen een onderneming, ongeacht of deze informatie waarde vertegenwoordigt.
Gielen 1999, p. 6-7; Gielen 2005, p. 253.
Pors 2013, p. 126.
Pors 2013, p. 127.
Rb. ’s-Hertogenbosch 21 november 2012, ECLI:NL:RBSHE:2012:BY4122, BIE 2013, 53. Zie hierover Pors 2013, p. 127-128.
Rb. ’s-Hertogenbosch 21 november 2012, ECLI:NL:RBSHE:2012:BY4122, BIE 2013, 53. Zie hierover Pors 2013, p. 132-133.
Verkade 1991, p. 323-327. Ook van belang zijn volgens Verkade: (1) dat de verzoeker doorgaans een beperkte rechtspositie of zwevend recht heeft, (2) dat het verhoor duur is, (3) dat geen rechtsmiddel kan worden ingesteld tegen toewijzing van het verzoek en (4) het boven de belangen van partijen uitstijgende belang van markteffecten.
HR 20 oktober 1995, ECLI:NL:HR:1995:ZC1851, NJ 1996, 120, m.nt. J.M.M. Maeijer (Perrier/ Marceau), zie de overweging van de rechtbank in nr. 3.6 van de conclusie.
Vertrouwelijkheid en processuele bekendmaking van bedrijfsgegevens zijn relatieve begrippen.1 Slechts zelden zal a priori een belemmering bestaan om bedrijfsgeheimen in het geding te brengen.2 In ieder geval moet het dan gaan om gegevens waarvoor vertrouwelijkheid wettelijk is voorgeschreven, bijvoorbeeld persoonsgegevens in de zin van de Wet bescherming persoonsgegevens en het verschoningsrecht voor bepaalde functionarissen als de advocaat en de arts.3 In een door de rechtbank Arnhem besliste zaak was het doel van het voorlopig getuigenverhoor het verkrijgen van gegevens uit een persoonsregistratie van een bedrijf.4 De rechtbank oordeelde dat de verzoeker geen misbruik van bevoegdheid maakte, omdat geen gerechtvaardigde vrees bestond dat verzoeker de adresgegevens voor een ander doel zou gebruiken dan het oproepen van getuigen om vervolgens die getuigen te doen horen in het legitieme belang van de waarheidsvinding, terwijl de verweerder geen belang had bij belemmering van de waarheidsvinding.
Van der Korst maakt een onderscheid tussen gegevens waarvoor vermogensrechtelijke en waarvoor persoonlijkheidsrechtelijke bescherming geldt. De eerste soort gegevens zijn gegevens die onafhankelijk van een onderneming een bepaalde handelswaarde vertegenwoordigen (verhandelbare bedrijfsgeheimen). Van der Korst noemt knowhow of klantenlijsten als voorbeelden.5 De tweede soort gegevens zijn gegevens die los van een onderneming geen waarde of geen relevantie hebben. Van der Korst noemt als voorbeelden de inhoud van contracten waarbij de onderneming is betrokken, advies van externe deskundigen en prognoses.6 Naar mijn mening is het gemaakte onderscheid – in ieder geval in het kader van het voorlopig getuigenverhoor – niet houdbaar, aangezien bijvoorbeeld een overeenkomst over een voorgenomen fusie toch ook (handels)waarde kan hebben voor concurrenten. Ten aanzien van alle informatie die niet openbaar gemaakt hoeft te worden, zoals niet te publiceren financiële informatie, commerciële informatie als klantenbestanden of bedrijfsinformatie die ziet op innovaties,7 kan een bedrijf een (zwaarwegend) belang bij geheimhouding hebben.8 Dit klemt temeer nu het soms moeilijk of bezwaarlijk is om deze informatie op een andere manier te beschermen dan door de informatie simpelweg geheim te houden.9 Pors noemt het voorbeeld van klantenbestanden, die moeilijk te beschermen zijn via intellectuele eigendomsrechten.10 Daarnaast geeft hij aan dat het geheim houden van uitvindingen een (veel) betere bescherming kan bieden dan het aanvragen van een octrooi. De publicatie van de octrooiaanvraag maakt knowhow openbaar en stelt anderen in staat die knowhow verder te ontplooien (en commercieel lucratief te ontwikkelen). Bovendien is het aanvragen en in stand houden van een octrooi duur, kan de keuze voor de landen waarvoor bescherming moet worden gevraagd later niet meer worden aangepast en heeft een octrooi een beperkte levensduur. Kortom: “Zolang het lukt om de knowhow geheim te houden, is er in beginsel wereldwijde exclusiviteit, zonder dat daarvoor veel kosten hoeven te worden gemaakt.”11 De geheime knowhow wordt niet beschermd als producten en diensten aan het publiek ter beschikking zijn gesteld en voor zover de knowhow uit die producten en diensten kan worden achterhaald door middel van reverse engineering.12 De rechtbank ’s-Hertogenbosch nuanceerde deze opvatting echter.13 Zij besliste dat gegevens wel bescherming verdienen als ze feitelijk niet zijn verkregen door reverse engineering, maar door gebruik van beschermde knowhow. In deze zaak was een concurrerend product feitelijk vervaardigd door het gebruik maken van technische tekeningen van de ex-werkgever door de ex-werknemer. Ten slotte heeft volgens Verkade in nabootsingszaken te gelden dat de rechter zich terughoudend moet opstellen om een voorlopig getuigenverhoor, waarin het gaat om concurrentiegevoelige informatie, toe te wijzen. Daarbij is met name van belang dat in dergelijke zaken doorgaans niet van belang is hoe de beweerdelijke nabootser te werk is gegaan, aangezien zintuiglijk kan worden vastgesteld of, en in hoeverre, zaken op elkaar lijken.14
De verweerder moet zijn belang bij de geheimhouding van de bedrijfsgeheimen uiteraard onderbouwen. De verweerder die onvoldoende feitelijk onderbouwt dat zijn bedrijfsgeheimen moeten worden beschermd en dat hij belang heeft bij afwijzing van het voorlopig getuigenverhoor, loopt het risico dat zijn belang te licht wordt bevonden.15