Het besluit van de rechtspersoon
Einde inhoudsopgave
Het besluit van de rechtspersoon (VDHI nr. 162) 2020/IV.4.2:IV.4.2 Derdenbescherming
Het besluit van de rechtspersoon (VDHI nr. 162) 2020/IV.4.2
IV.4.2 Derdenbescherming
Documentgegevens:
mr. K.A.M. van Vught, datum 20-11-2019
- Datum
20-11-2019
- Auteur
mr. K.A.M. van Vught
- JCDI
JCDI:ADS178759:1
- Vakgebied(en)
Ondernemingsrecht / Rechtspersonenrecht
Toon alle voetnoten
Voetnoten
Voetnoten
Juister zou de term ‘derde’ zijn. Een besluit met direct externe werking richt zich dikwijls tot een derde die op dat moment geen wederpartij is.
Vgl. Van den Braak 1996, p. 77.
Zie § VI.2.
Zo ook Timmerman 1991, p. 96, Van den Braak 1996, p. 83 en GS Rechtspersonen/Huizink 2018, art. 2:16 BW, aant. 3.5.
Deze functie is alleen te gebruiken als je bent ingelogd.
Art. 2:16 lid 2 BW beschermt de ‘wederpartij’1 van de rechtspersoon. De rechtspersoon kan de nietigheid of de vernietiging van een besluit met externe werking niet tegenwerpen aan de derde, ‘indien deze het gebrek dat aan het besluit kleefde, kende noch behoefde te kennen’. De wederpartij moet te goeder trouw zijn geweest, zowel in subjectieve zin (‘kende’) als in objectieve zin (‘behoefde te kennen’). Niet alleen de wetenschap van een gebrek in het besluit, maar ook het verzaken van een eventuele onderzoeksplicht staat daarom aan bescherming in de weg. Een uitzondering maakt art. 2:16 lid 2 BW slechts voor de benoeming van een bestuurder of commissaris. De rechtspersoon kan gebreken in het benoemingsbesluit altijd tegenwerpen, zelfs aan een wederpartij te goeder trouw. Wel moet de rechtspersoon de schade vergoeden.
Is de derde te goeder trouw, dan regardeert een gebrek in het extern werkend besluit hem kortom niet. Hoewel het besluit rechtens niet bestaat, blijft de daarvan afhankelijke rechtshandeling intact. Art. 2:16 lid 2 BW abstraheert van het gebrekkige besluit en schept zo iets uit het niets.2 Duitse juristen zouden hierin een fijne toepassing zien van het zogenaamde Abstraktionsprinzip.
Als de derde zich daarentegen niet op de bescherming van art. 2:16 lid 2 BW kan beroepen, verkeert hij in onzekerheid. Een vernietigbaar besluit is geldig totdat de rechtspersoon of een belanghebbende het heeft vernietigd. Zowel de derde als de rechtspersoon zijn daarom voorlopig gebonden aan de rechtshandeling die uit het besluit voortkomt. Eén jaar nadat het besluit is bekendgemaakt, is vernietiging niet meer mogelijk (art. 2:15 lid 5 BW). Ook de status van een nietig besluit kan onzeker zijn. Het bevoegde orgaan kan het besluit al dan niet bekrachtigen (art. 2:14 lid 2 BW).3 Bekrachtiging maakt de op het besluit gestoelde rechtshandeling alsnog geldig.
Overigens ziet art. 2:16 lid 2 BW, naar de letter beschouwd, op nietige en vernietigde besluiten met externe werking. Geheel ontbrekende, ingetrokken en zogenaamde non-existente besluiten vallen strikt genomen buiten het bereik van de bepaling. Mijns inziens bestaat evenwel geen bezwaar tegen analogische toepassing van art. 2:16 lid 2 BW op deze gevallen.4 Of een besluit nu nietig, vernietigd, ontbrekend, ingetrokken of zelfs non-existent is, maakt geen verschil. Steeds betreft het juridisch niets. Steeds is de rechtspersoon niet vertegenwoordigd.
Op zich schenkt art. 2:16 lid 2 BW klare wijn. Toch roept de bepaling vragen op. In haar ligt een zekere opvatting besloten over de verhouding tussen de rechtspersoon en de derde. Ik beschrijf deze gedachte en onderzoek de juistheid daarvan (§ 6). Vervolgens onderscheid ik verschillende groepen derden. Eerst komen de institutioneel betrokkenen – aandeelhouders, bestuurders, commissarissen en werknemers – aan de orde (§ 7), vervolgens de werkelijke derden (§ 8).