Einde inhoudsopgave
Speaking the same language (AN nr. 181) 2023/3.2.1
3.2.1 De historische achtergrond en het Statuut van het Koninkrijk der Nederlanden
1
mr. K.R. Filesia, datum 25-09-2023
- Datum
25-09-2023
- Auteur
mr. K.R. Filesia
- JCDI
JCDI:ADS717300:1
- Vakgebied(en)
Ondernemingsrecht (V)
Voetnoten
Voetnoten
Voor een uitgebreide geschiedenis over en uiteenzetting van dit onderwerp zie onder andere: A.B. Van Rijn, Handboek Caribisch staatsrecht, Den Haag: Bju 2019, p. 55-85; L.J.J. Rogier, Beginselen van het Curaçaose Staatsrecht, Den Haag: Bju 2018, p. 33-46, p. 49-66 en de aldaar besproken literatuur; C. Borman, Het Statuut voor het Koninkrijk, Deventer: Kluwer 2012, p. 1-18; L. Dalhuisen e.a., Geschiedenis van de Antillen, Zutphen: Walburg Pers 2009; J.M. Saleh, 50 jaar Statuut van het Koninkrijk der Nederlanden: in vrijheid en verscheidenheid verbonden of tot elkaar veroordeeld (oratie Utrecht), Utrecht: Universiteit Utrecht 2006; A. Van Romondt e.a. (red.), Gedenkboek 50 jaar statuut: een Koninkrijksbundel, Zutphen: Walburg Pers 2005; M. Nap, Wetgeving van het Koninkrijk der Nederlanden, Zutphen: Walburg Pers 2003; P.C Verton & P.J.A. Ter Hoeven, Politieke dynamiek en dekolonisatie: de Nederlandse Antillen tussen autonomie en onafhankelijkheid, Alphen aan den Rijn: Samsom 1977.
A.B. Van Rijn, Handboek Caribisch staatsrecht, Den Haag: Bju 2019, p. 59-61; L.J.J. Rogier, Beginselen van het Curaçaose Staatsrecht, Den Haag: Bju 2018, p. 37-38; C. Borman, Het Statuut voor het Koninkrijk, Deventer: Kluwer 2012, p. 1-5; M. Nap, Wetgeving van het Koninkrijk der Nederlanden, Zutphen: Walburg Pers 2003, p. 14-15;L. Dalhuisen e.a., Geschiedenis van de Antillen, Zutphen: Walburg Pers 2009, p. 97-98.
A.B. Van Rijn, Handboek Caribisch staatsrecht, Den Haag: Bju 2019, p. 61 en p. 121-122; L.J.J. Rogier, Beginselen van het Curaçaose Staatsrecht, Den Haag: Bju 2018, p. 38; C. Borman, Het Statuut voor het Koninkrijk, Deventer: Kluwer 2012, p. 5-7; M. Nap, Wetgeving van het Koninkrijk der Nederlanden, Zutphen: Walburg Pers 2003, p. 14; L. Dalhuisen e.a., Geschiedenis van de Antillen, Zutphen: Walburg Pers 2009, p. 98-99.
Met de komst van de West-Indische Compagnie in 1634 nam de periode van de Nederlandse heerschappij op Curaçao een aanvang. Deze heerschappij leidde ertoe dat Curaçao in de daaropvolgende drie eeuwen een aantal grote economische en maatschappelijke ontwikkelingen heeft doorgemaakt. Als gevolg van het dekolonisatieproces na de Tweede Wereldoorlog kwamen de overzeese gebieden die destijds door Nederland werden bestuurd, waaronder Curaçao, in verzet om een wijziging van de staatkundige verhoudingen te bewerkstelligen.2 Mede naar aanleiding van de druk van de internationale gemeenschap begonnen tussen Nederland, de (voormalige) Nederlandse Antillen en Suriname onderhandelingen over een mogelijke hervorming van de staatkundige verhoudingen. Het onderhandelingsproces werd officieel op 15 december 1954 afgesloten met het Statuut van het Koninkrijk der Nederlanden (hierna: het Statuut) als sluitstuk.3 Met de ondertekening van dit document werden de Nederlandse Antillen die toentertijd bestonden uit Curaçao, Bonaire, Aruba, Sint Maarten, Saba en Sint Eustatius, als een autonoom land binnen het Koninkrijk geboren.