Einde inhoudsopgave
Publicatieverplichtingen voor beursvennootschappen (IVOR nr. 74) 2010/8.4.4
8.4.4 Blindheid voor verschillende gezichtspunten
mr. J.B.S. Hijink, datum 16-09-2010
- Datum
16-09-2010
- Auteur
mr. J.B.S. Hijink
- JCDI
JCDI:ADS575539:1
- Vakgebied(en)
Financieel recht (V)
Voetnoten
Voetnoten
Zie bijvb. de kritiek van Croes/Niemeijer (2005), p. 637. Zie verder de — reeds in hoofdstuk 5 genoemde — kritiek van Timmerman (2004a), p. 1630. Hij merkt op, dat de economische analyse van het vennootschapsrecht geen oog heeft voor de rechtvaardigheids —en ethische aspecten van het recht.
Aldus Barendrecht (2002), p. 606.
De Geest/DepoorterNanneste (2005), p. 638. Zij laten daar overigens op volgen dat er 'maar één waarheid en één werkelijkheid' bestaat.
De Geest/Depoorter/Vanneste (2004), p. 1921.
Zie De Geest/DepoorterNanneste (2005), p. 638, die over de zogenoemde brillenvisie — in hun woorden: de visie dat interdisciplinaire onderzoekers het recht slechts door een of ander bril bekijken — opmerken dat deze 'niet alleen fout [is], maar ook schadelijk voor de doorstroming van ideeën en de wetenschappelijke vooruitgang. De brillenvisie is fout omdat ze wetenschappers meer vrijheid toekent dan ze in de wetenschap hebben.' (De Geest/Depoorter/ Vanneste (2005), p. 638). Omtrent dergelijke standpunten door rechtseconomen merkten Gaakeer/Kerlcmeester al in 1997, naar mijn mening terecht, op dat 'het belangrijk [is] om te erkennen dat het denkbaar is dat de rechtseconomie belangrijke inzichten geeft in de werkelijkheid, zonder direct te behoeven springen naar de conclusie dat deze problemen ook binnen hetzelfde model worden opgelost.' Zie Gaakeer/Kerkmeester (1997), p. 40.
Zie ook Franken (2004a), p. 1404-1405 en Barendrecht e.a. (2004), p. 1422. Het vanuit uiteenlopende gezichtpunten, op basis van verschillende kenbare en wetenschappelijke methoden, beoefenen van de rechtswetenschap is overigens iets anders dan 'wetenschappelijker' maken van de traditionele wetenschap door er een scheutje rechtseconomie aan toe te voegen, vgl. Van Maanen (2006), p. 310.
In die zin Tjittes (2005), p. 1880. Met Timmerman ben ik derhalve eens dat bij de beoefening van het vennootschapsrecht voor uiteenlopende denkwijzen ruimte is (Timmerman (2004b), p. 10.
Een laatste punt van kritiek op de rechtseconomie is de eenzijdige toepassing ervan of — preciezer geformuleerd — het door sommige rechtseconomen gepropageerde gebruik van rechtseconomische analyses als enige juiste methode om inzicht te verkrijgen in het recht.1 Vanwege deze opvatting is terecht opgemerkt dat "[w]at rechtseconomen zeggen (...) theoretisch wel goed doordacht [is], maar zij raken zo vervuld van hun eigen theorieën dat zij gezichtspunten die daar niet in passen dreigen te vergeten."'2
Het is inderdaad opmerkelijk dat rechtseconomen zelf enerzijds, met recht, opmerken dat "[w]etenschap gaat over het zo dicht mogelijk komen bij de waarheid over de werkelijkheid"3 en dat "de sociale realiteit (...) bijzonder complex [is]."4 Terwijl diezelfde rechtseconomen tegelijkertijd uitdrukkelijk van mening zijn dat, om zo dicht mogelijk bij de waarheid over die complexe realiteit te komen, één methode van wetenschapsbeoefening zou volstaan.5 Juist vanwege deze complexiteit, die niet in één (rechtseconomisch) model te vatten is, ligt het naar mijn mening niet in de rede om bij pogingen om de waarheid te benaderen, andere gezichtpunten op voorhand reeds uit te sluiten. Waarbij overigens wel als voorwaarde geldt dat bij dergelijke andere gezichtspunten ook steeds op basis van kenbare, wetenschappelijke methoden wordt gewikt, gewogen en gewaardeerd.6
Om deze reden kan ik mij goed vinden in de opvatting dat de rechtseconomische benadering "slechts een gezichtpunt vanuit een bepaald perspectief (het economische welzijn) [is], dat kan bijdragen aan een uiteindelijk normatief oordeel over wat rechtens hoort te zijn. Niet meer en niet minder."7 De in deze studie opgenomen rechtseconomische beschouwingen over de grondslagen voor het opleggen van publicatieverplichtingen aan beursvennootschappen dienen derhalve te worden gezien als één gezichtspunt, van vele, om de werking van rechtsregels in de sociale werkelijkheid te analyseren.