Einde inhoudsopgave
Burgerschap op orde (SteR nr. 66) 2024/11.6.1
11.6.1 Richtingen en pedagogisch-didactische visies
Th.E.M. Wijte, datum 08-01-2024
- Datum
08-01-2024
- Auteur
Th.E.M. Wijte
- JCDI
JCDI:ADS977266:1
- Vakgebied(en)
Bestuursrecht algemeen (V)
Staatsrecht (V)
Voetnoten
Voetnoten
Wet van 20 mei 2020, Stb. 2020, nr. 160. Inwerkingtreding voor basisscholen op 1 februari 2021; Onderwijsraad, Wetsvoorstel Meer ruimte voor Nieuwe Scholen 2018 (Kamerstukken II 2018/19, 35050, nrs. 1-3); vgl. Laura van Baars, ’Artikel 23 is een-sta-in-de-weg voor kansengelijkheid’, Trouw 3 juli 2021, p. 38.
KB van 15 mei 1933, AB 1933, 543-545 (School met den Bijbel); vgl. Vermeulen 1999, p. 27, 51-63 en Zijlstra 1999, p. 25, 43 e.v.
KB van 15 mei 1933, AB 1933, p. 543-545 (School met den Bijbel), ABRvS van 25 mei 2011, 201100717/1/H2 (Algemeen bijzondere basisschool), KB van 28 juni 1980, AB 1980, 476 (Vrije school) en A. Postma, Handboek van het Nederlands onderwijsrecht, Zwolle: TjeenkW 1995, p. 128-129.
Vermeulen 1999, p. 55, noot 142; zie artikel 25 lid 5 juncto 90 lid 6 LO (1920) over de ontheffing van leerplanvoorschriften steunen zijn visie; vgl. C. Verhoef, ’Perk de vrijheid van onderwijs in’, Trouw 5 april 2019) (Via levensbeschouwing en burgerschapsvorming); HR 6 juli 2010, ECLI:NL:HR:2010:BL6719 en D. Mentink, ‘Scheiding van opvoeding en overheid als onderwijsconstitutioneel beginsel. Over ouders, pedagogische autonomie en vrijheid van richting’, NTOR 2005, 3, p. 143-146.
KB van 28 juni 1980, AB 1980, 476 (Vrije school).
M. Kuiper, ’Eerste humanistische school heeft tolerantie als kerk’, Trouw 2 maart 2015.
Zoontjens 2019, p. 33.
Ibid., p. 33-34; vgl. Van Schoonhoven 2021, p. 5 (De strakke dualiteit vervaagt).
Ibid., p. 34 en Vermeulen & Zoontjens, ’Artikel 23 Grondwet op de tocht?’, in: Getuigend staatsrecht 2005, p. 431 e.v.
Zoontjens 2019, p. 34.
Vgl. Coalitieakkoord VVD-D66-CDA-CU van 15 december 2021, p. 22 (Kabinet-Rutte-IV).
Dat het richtingsbegrip alleen religieus/levensbeschouwelijk is in te vullen (het overtuigingsonderwijs) wordt in de Wet meer ruimte voor nieuwe scholen (MRNS) (2021) feitelijk gerelativeerd.1 Weliswaar ziet de vrijheid van richting (artikel 23 lid 5 en 6 Gw) – als gebaseerd op de Grondwet van 1848 – volgens Vermeulen enkel op de realisatie van een godsdienst/levensbeschouwing en niet van een pedagogische mens- of onderwijsvisie.2 Voor het vast-houden aan dit richtingsbegrip ziet Vermeulen dan ook reden3, immers ‘zou een pedagogische visie onder het richtingsbegrip vallen, dan zou een openbare school - a contrario - richtingsschool kunnen zijn’.4 Zo zijn de Vrije school5 en de humanistische school een richting6, maar de Jenaplanschool niet.7
Functionele vrijheid van richting
Niettemin is volgens Zoontjens het einde in zicht voor het duale stelsel.8 De vraag lijkt hem niet meer te gaan over het wijzigen van artikel 23 Gw, maar over de wijze waarop. Een functionele opvatting over de vrijheid van richting en de pedagogische autonomie winnen aan terrein. Dit komt erop neer dat de vrijheid van scholen, bijzonder of openbaar, haar rechtvaardiging vindt in de mate waarin die bijdraagt aan het recht op onderwijs en de onderwijskwaliteit.9 Verder wijdt Zoontjens een beschouwing aan het diffuser wordende begrip richting in de vrijheid van onderwijs vanuit het perspectief van de leerling: ‘De vrijheid van onderwijs van instellingen moet meer geïnterpreteerd worden in het licht van hun recht op onderwijs en hun leerrechten. We kunnen spreken van […] een onstuitbaar proces, waarbij een functionele opvatting over de vrijheid van richting en de pedagogische autonomie meer terrein winnen’.10 Hij introduceert hiermee een functionele opvatting van de vrijheid van richting. De vrijheid van scholen vindt dus haar rechtvaardiging ‘in de mate waarin die bijdraagt aan het recht op en de kwaliteit van onderwijs’.11 Deze opvatting is in lijn met de Wet meer vrijheid voor nieuwe scholen, op grond waarvan het richtingsbegrip bij de schoolstichting geen enkele rol meer speelt.
Geen staatspedagogiek; terughoudendheid met morele pretenties; een minimum aan morele pretenties is toelaatbaar
Artikel 23 Gw en meer in het algemeen de uitgangspunten van de democratische rechtsstaat stellen wezenlijke grenzen aan de bevoegdheid van de overheid om aan het onderwijs het vormen van democratische houdingen en morele gezindheden bij de leerlingen, kortom van een normatief commitment, op te dragen. Onze overheid gaat niet over waardenopvoeding, dat is een zaak van de ouders. Indien de kern van de vrijheid van onderwijs de richting is, waarbij het begrip richting bestaat uit godsdienstige/levensbeschouwelijke overtuigingen, dan zal burgerschapsvorming, hetgeen verplicht tot het bijbrengen van bepaalde kennis, inzicht en communicatievaardigheden en sterk materieel ingevulde mensen- en kinderrechtelijke waarden omarmt, daar inbreuk op kunnen maken. Dat kan zelfs leiden tot de conclusie dat er sprake is van staatspedagogiek. Met name bij het presenteren van waarden als tolerantie en respect dient de schooleigen invulling dan ook het primaat te hebben. Dat primaat vereist terughoudendheid bij de overheid met betrekking tot de voorschriften met morele pretenties en de opvoeding tot goed burger.
De vrijheid van richting is echter niet absoluut. Artikel 23 Gw maakt de pluraliteit in het onderwijsstelsel mogelijk, maar laat het – mede om die pluraliteit mogelijk te laten zijn – toe om grenzen te stellen aan onderwijs dat segregeert, discrimineert, de democratische rechtsstaat ondermijnt.12 Bovendien laat artikel 23 Gw toe, dat onderwijs dat in het geheel aan de kernwaarden van de democratische rechtsstaat voorbijgaat, daaraan geen enkele aandacht besteedt, gesanctioneerd worden. Het is denkbaar dat scholen zich be-roepen op vrijheid van onderwijs en geen aandacht besteden aan onderwijs in de kernwaarden vrijheid, gelijkwaardigheid en solidariteit. Mijns inziens zou een dergelijk beroep niet mogen slagen.