Bedrijfsopvolging bij natuurlijke personen
Einde inhoudsopgave
Bedrijfsopvolging bij natuurlijke personen (FM nr. 141) 2013/5.3.3.4.a:5.3.3.4.a Inleiding
Bedrijfsopvolging bij natuurlijke personen (FM nr. 141) 2013/5.3.3.4.a
5.3.3.4.a Inleiding
Documentgegevens:
Dr. Y.M Tigelaar-Klootwijk, datum 01-09-2013
- Datum
01-09-2013
- Auteur
Dr. Y.M Tigelaar-Klootwijk
- JCDI
JCDI:ADS351614:1
- Vakgebied(en)
Belastingrecht algemeen (V)
Toon alle voetnoten
Voetnoten
Voetnoten
Zie o.a. ook Conclusie AG Niessen bij HR 9 oktober 2009, nr. 43 992, BNB 2010/77.
Deze functie is alleen te gebruiken als je bent ingelogd.
In paragraaf 5.3.3.2 heb ik betoogd dat verkrijgers van ondernemingsvermogen en verkrijgers van niet-ondernemingsvermogen moeten worden aangemerkt als gelijke gevallen. Ik heb daar aangegeven ook te onderzoeken wat de uitkomst zou moeten zijn indien wordt verondersteld dat geen sprake is van gelijke gevallen. Dit standpunt wordt immers, zoals bleek in paragraaf 5.3.3.2, in diverse rechterlijke uitspraken en in de literatuur ingenomen. Op grond van het gelijkheidsbeginsel geldt voor ongelijke gevallen dat zij niet onevenredig ongelijk mogen worden behandeld. Dit doet zich alleen voor bij een overduidelijke onevenredigheid (HR 21 oktober 1992, nr. 28 548, BNB 1993/29).
Aangezien de bedrijfsopvolgingsfaciliteit in de schenk- en erfbelasting uit meer delen bestaat, vindt de toetsing, zoals ook in de vorige paragraaf, op onderdelen plaats. Er bestaat een zekere overlap met hetgeen in de vorige paragraaf (gelijke gevallen: objectieve en redelijke rechtvaardiging voor ongelijke behandeling) aan de orde is geweest. Daar was immers aan de orde of sprake is van een objectieve en redelijke rechtvaardiging voor de ongelijke behandeling van gelijke gevallen. Ten aanzien van de onderhavige regeling zal evenwel minder snel strijdigheid met het gelijkheidsbeginsel aan de orde zijn, omdat de eis dat sprake moet zijn van een overduidelijke onevenredige ongelijke behandeling van ongelijke gevallen zwaarder is dan het aandragen van argumenten om aan te geven dat geen sprake is van een objectieve en redelijke rechtvaardiging voor de ongelijke behandeling van gelijke gevallen.1