Einde inhoudsopgave
De uitvoering van Europese subsidieregelingen in Nederland (R&P nr. SB6) 2012/4.2.7
4.2.7 Aanwijzing of oprichting van bevoegde nationale uitvoeringsorganen
Mr. J.E. van den Brink, datum 13-12-2012
- Datum
13-12-2012
- Auteur
Mr. J.E. van den Brink
- JCDI
JCDI:ADS397290:1
- Vakgebied(en)
Bestuursrecht algemeen (V)
Voetnoten
Voetnoten
Zie hoofdstuk 3, paragraaf 3.6.
Widdershoven/Verhoeven e.a. 2007, p. 25. Zie bijvoorbeeld artikel 23 van de Cffirdinatieverordening op grond waarvan de lidstaten kort gezegd de nodige maatregelen dienen te nemen om door misbruik of nalatigheid verloren Europese subsidies terug te vorderen. Een ander voorbeeld biedt artikel 49, eerste lid, derde alinea, van de Commissieverordening nr. 800/99 waarin is bepaald dat de lidstaten kunnen besluiten dat de uitvoerrestitutieaanvragen uitsluitend met behulp van informatieverwerkende systemen kunnen worden gedaan.
Zie HvJEG 15 december 1971, gevoegde zaken 51/71-54/71 (International Fruit Company e.a./Produktschap voor Groenten en Fruit), Jur. 1971, p. 1107, r.o. 3 en 4. Zie ook Voermans 2011, p. 33-34.
HvJEG 16 juli 2009, C-428/07 (Mark Horvath), Jur. 2009, p. 1-6355, r.o. 49; HvJEG 5juli 1994, C-435/92 (Association pour la protection des animaux savages), Jur. 1994, p. 1-67, r.o. 26; HvJEG 10 november 1992, C-156/91 (Hansa Fleisch), Jur. 1992, p. 1-5567, r.o. 23 en 24; HvJEG 12 juni 1990, C-8/88 (Duitsland/Commissie), Jur. 1990, p. 1-2321, r.o. 13; HvJEG 21 juni 1979, 240/78 (Atalanta), Jur. 1979, p. 2137, r.o. 4 en 5 en HvJEG 15 december 1971, gevoegde zaken 51 t/m 54/71 (International Fruit Company e.a./Produktschap voor Groenten en Fruit), Jur. 1971, p. 1107, r.o. 3 en 4. Zie ook Voermans 2011, p. 33-34.
Hierop wordt in hoofdstuk 5, paragraaf 52.1 uitgebreid ingegaan.
Zie paragraaf 5.2.2.
In hoofdstuk 3 is in het kader van het beginsel van institutionele autonomie besproken dat in Europese subsidieverordeningen niet is geregeld welke specifieke nationale uitvoeringsorganen zijn belast met de uitvoering van de in die verordeningen neergelegde bepalingen.1 De bepalingen in Europese subsidieverordeningen zijn veelal gericht tot de lidstaten2 of de bevoegde autoriteiten. In sommige gevallen wordt in een bepaling in een Europese subsidieverordening helemaal niet geregeld wie verantwoordelijk is voor de uitvoering daarvan. Uit de context van de desbetreffende verordening moet dan worden afgeleid of nationale uitvoeringsorganen met de uitvoering van deze bepaling moeten worden belast. Op grond van het beginsel van loyale samenwerking zijn de lidstaten verplicht om de specifieke nationale uitvoeringsorganen aan te wijzen die bevoegd zijn de in de Europese verordening neergelegde bepalingen uit te voeren.3 Uit hoofde van het beginsel van institutionele autonomie is het aan de lidstaat om te bepalen welke nationale autoriteiten dit zullen zijn.4 In de Europese subsidieregelgeving en dus ook in de Europese subsidieverordeningen wordt steeds vaker aan de lidstaten expliciet de verplichting opgelegd om de bevoegde nationale uitvoeringsorganen aan te wijzen. In dat kader wordt in veel gevallen voorgeschreven welke naam een dergelijk orgaan dient te krijgen, welke samenstelling het orgaan dient te hebben en aan welke kenmerken het orgaan te dient voldoen.5 De aanwijzing dient echter door de lidstaat te geschieden. Het komt ook voor dat een Europese subsidieverordening de lidstaat verplicht een nieuw nationaal orgaan op te richten. Een voorbeeld biedt het in hoofdstuk 5 uitgebreid te bespreken Comité van Toezicht.6
De verplichting om de bevoegde nationale uitvoeringsorganen aan te wijzen of op te richten is niet alleen nodig, indien op andere gronden ter uitvoering van de desbetreffende bepaling á nationaal recht noodzakelijk was. Ook indien een bepaling uit een Europese subsidieverordening rechtstreeks toepasselijk is, dient in veel gevallen op nationaal niveau te worden uitgemaakt welk nationaal uitvoeringsorgaan de rechtstreekse toepassing ter hand neemt.