Onmiddellijke voorzieningen en hun externe werking
Einde inhoudsopgave
Onmiddellijke voorzieningen en hun externe werking (IVOR nr. 118) 2020/10.3:10.3 Onmiddellijke voorzieningen
Onmiddellijke voorzieningen en hun externe werking (IVOR nr. 118) 2020/10.3
10.3 Onmiddellijke voorzieningen
Documentgegevens:
mr. A.C. Faber, datum 16-03-2020
- Datum
16-03-2020
- Auteur
mr. A.C. Faber
- JCDI
JCDI:ADS196895:1
- Vakgebied(en)
Ondernemingsrecht / Rechtspersonenrecht
Deze functie is alleen te gebruiken als je bent ingelogd.
[372] Onmiddellijke voorzieningen worden getroffen in het kader van de enquêteprocedure (hoofdstuk 2). De procedurele bijzonderheden van de enquêteprocedure hangen samen met de praktische aard van het enquêterecht. De procedure is doordesemd van het tweeledige doel van het enquêterecht: een juiste rechtstoestand én een adequate bedrijfseconomische toestand van de rechtspersoon. De rechtspersoon staat centraal in de enquêteprocedure en zijn belang staat voorop bij de beslissingen van de Ondernemingskamer. Die eigenschap van de enquêteprocedure heeft consequenties. De rechter is bij het bepalen van de aard, de omvang en de periode van het onderzoek niet aan de grenzen van het verzoek gebonden. De partijautonomie wijkt zo voor het belang van de rechtspersoon.
[373] Onmiddellijke voorzieningen zijn maatregelen ter bevordering van de doeltreffendheid van de enquêteprocedure (hoofdstuk 3). Het zijn ordemaatregelen, enigszins vergelijkbaar met de voorlopige voorzieningen van het kort geding. Het onderdeel van de procedure, dat uitmondt in een onmiddellijke voorziening, is ingericht met beperkte procedurele waarborgen. De belangen van betrokken partijen moeten worden afgewogen. De maatregel moet vereist zijn in het belang van het onderzoek of in verband met de toestand van de rechtspersoon en de met hem verbonden onderneming. Deze laatste twee toetsingsgronden brengen tot uitdrukking dat voor de maatregelen alleen bij dringende noodzaak plaats is. Als aan deze vereisten is voldaan, heeft de Ondernemingskamer bij de keuze voor een concrete onmiddellijke voorziening veel ruimte. Dat hangt samen met het doel waarmee de wetgever dit kort geding-achtige instrument in de enquêteprocedure heeft geïntroduceerd: versterking van de effectiviteit van de enquêterechter. De toetsingsgronden ‘het belang van het onderzoek’ en ‘toestand van de rechtspersoon’ worden geconcretiseerd in de jurisprudentie. Die concretisering is een proces, waarbij de Ondernemingskamer grenzen verkent (3.8). De doelstellingen van het enquêterecht brengen mee dat de onmiddellijke voorziening primair ingrijpt in de interne verhoudingen van de rechtspersoon. Zo’n ingreep kan een inbreuk zijn, waarbij kan worden afgeweken van dwingend recht (3.10). De maatregelen kunnen leiden tot onomkeerbare gevolgen (3.11).
In de voorgeschreven belangenafweging moeten de eisen van subsidiariteit en proportionaliteit worden betrokken. Het vereiste van subsidiariteit brengt mee dat voor de minst verstrekkende maatregel moet worden gekozen (3.12). Voor het overige is op grond van de jurisprudentie niet goed vast te stellen of de belangenafweging moet worden voltrokken bij de beslissing dat moet worden ingegrepen, dan wel bij de keuze voor een bepaalde onmiddellijke voorziening (3.9.4).
De rechterlijke selectie van een bepaalde voorziening is ingeven door de omstandigheden en door de effecten die met de maatregel worden beoogd. Tegen die beoogde effecten weegt de Ondernemingskamer het nadeel af, dat een reactie van de wederpartij de rechtspersoon toebrengt, als deze door de voorziening een contractuele verplichting niet nakomt. In sommige situaties is meer dan één maatregel geschikt is om het gewenste positieve resultaat te bewerkstelligen. Dat biedt de mogelijkheid de voorziening te kiezen met de minste nadelige consequenties in verband met een conflicterende contractuele verplichting.