Einde inhoudsopgave
De autonomie van de leraar (SteR nr. 64) 2024/2.2.2
2.2.2 Korte blik op filosofische theorieën over autonomie
J.S. Buiting, datum 07-02-2024
- Datum
07-02-2024
- Auteur
J.S. Buiting
- JCDI
JCDI:ADS949459:1
- Vakgebied(en)
Bestuursrecht algemeen (V)
Voetnoten
Voetnoten
Hill 2014, p. 97.
Christman 2014, p. 17-18.
Christman 2014, p. 17-18.
Haworth 1984, p. 155.
Zie hierover Berlin 1958 en Roessler 2010, p. 7.
Roessler 2010, p. 7.
Christman 2014, p. 6-7.
Frankfurt 1971, p 64.
Rössler 2017, p. 14.
Mackenzie en Stoljar 2000, p. 3.
Mackenzie en Stoljar 2000, p. 21.
Mackenzie en Stoljar 2000, p. 4.
Mackenzie en Stoljar 2000, p. 22
M.A. Oshana, “Personal autonomy and society”, Journal of social philosophy, vol. 29.
Christman 2004, p. 143.
F. Fukuyama, Identiteit. Waardigheid, ressentiment en identiteitspolitiek, Amsterdam/Antwerpen: Uitgeverij Atlas Contact 2020 (vijfde druk), p. 80-81.
Zoals hiervoor uiteengezet heeft het begrip autonomie in verschillende contexten verschillende betekenissen. In de filosofie is een groot aantal uiteenlopende theorieën over autonomie ontwikkeld. Een aantal daarvan worden hierna kort geschetst om de breedte van het begrip autonomie te duiden, daarna wordt toegelicht wat in dit hoofdstuk onder autonomie wordt verstaan.
Volgens Kant is autonomie het vermogen om voor jezelf rationeel eigen wetten en regels op te stellen en hiernaar te handelen, zonder te worden beïnvloed door anderen, maar omdat je dit zelf juist vindt.1 In het utilitarisme speelt autonomie een ondergeschikte rol.2 Hier staat het welzijn of geluk van het grootst mogelijke aantal mensen centraal.3 Het individuele welzijn of de individuele autonomie is van ondergeschikt belang en krijgt pas betekenis als autonomie bijdraagt aan het verhogen van het welzijn of het geluk van een groot aantal mensen.4 Een andere manier om naar autonomie te kijken is met het vrijheidsbegrip van Berlin. Iemand is volgens hem vrij om te handelen als hij vrij is in zowel positieve als negatieve zin.5 Negatieve vrijheid houdt in dat iemand vrij is in de zin dat hij niet door een ander beperkt of belemmerd wordt om te doen wat hij wil doen. Om te kunnen bepalen of iemand vrij is, hoeft enkel vastgesteld te worden dat hij niet wordt tegengehouden in wat hij wil doen.6 Positieve vrijheid houdt in dat iemand vrij is als hij kan doen wat hij wil doen met het oog op het kunnen maken van eigen keuzes. Om vrij en uit eigen beweging te kunnen kiezen moeten nastrevenswaardige en wenselijke mogelijkheden zijn om uit te kunnen kiezen. Om te komen tot positieve vrijheid is ook negatieve vrijheid noodzakelijk.
Met de reflectieve theorie van Frankfurt over autonomie wordt onderzocht wanneer een persoon autonomie heeft. Er wordt vanuit gegaan dat een persoon autonoom is als hij, zonder te zijn beïnvloed, zijn verlangens, doelen en waarden heeft geïdentificeerd en vervolgens naar deze verlangens, doelen en waarden kan handelen.7 Hiertoe wordt onderscheid gemaakt tussen twee soorten verlangens. Eersterangs verlangens zijn verlangens om een bepaald iets al dan niet te doen, bijvoorbeeld persoonlijke verlangens of impulsen.8 Tweederangs verlangens gaan dieper en ontstaan na een moment van reflectie en zelfonderzoek aan de hand van eigen normen, waarden en doelen. Zowel dieren als mensen hebben eersterangs verlangens, bijvoorbeeld het verlangen naar eten, drinken of gezelschap. Mensen hebben daarnaast tweederangs verlangens, die duidelijk worden na een moment van reflectie waarin iemand zijn belangrijkste verlangens identificeert. Een mens kan hierdoor handelen op basis van redelijke en geïnformeerde overwegingen. Het kunnen handelen op basis van deze tweederangs verlangens maakt iemand autonoom en maakt dat iemand verantwoordelijkheid kan nemen voor zijn eigen handelen. Voor dit handelen is immers vrijwillig en op basis van zorgvuldige overweging gekozen.
Rössler schrijft dat aan het idee van autonomie om verschillende redenen spanning kleeft.9 Er is spanning tussen het individuele streven naar zelfbepaling en alles wat het individu gewoon overkomt en een fait accompli lijkt. Daarnaast komt spanning voort uit de inbedding van de mens in sociale relaties en de daaruit voortvloeiende eisen waaraan men zich moeilijk kan onttrekken. Er zit dan ook discrepantie tussen het theoretische idee van autonomie en de onmogelijkheid om dit in de chaos van het leven in de praktijk te brengen.
De theorie over relationele autonomie beoogt een autonomiebegrip te ontwikkelen dat niet individualistisch en rationalistisch van aard is.10 Bij relationele autonomie wordt sterker rekening gehouden met de sociale en maatschappelijke context.11 Onder relationele autonomie wordt niet een universeel idee van autonomie verstaan, het gaat om een reeks van gerelateerde perspectieven die rusten op de overtuiging dat de identiteit van de mens wordt gevormd in de context van sociale relaties en door complexe in elkaar hakende sociale aspecten zoals ras, klasse, gender en etniciteit.12 Bij relationele autonomie wordt ervan uitgegaan dat iedereen fysiek en sociaal anders is en dat onderlinge sociale relaties de capaciteit om autonoom te zijn kunnen verkleinen of vergroten.13 Oshana stelt bijvoorbeeld dat iemand geen autonomie heeft als hij niet de juiste sociale relaties heeft om invloed uit te oefenen op belangrijke domeinen in zijn leven.14 In de kern wordt er bij relationele autonomie vanuit gegaan dat iemands autonomie wordt beïnvloed doordat hij sociaal is gevormd en waarde hecht aan interpersoonlijke relaties en wederzijdse afhankelijkheid.15 Ook Fukuyama relativeert de op het individu gerichte theorieën over autonomie van onder meer Kant.16 Hij wijst erop dat wat mensen voor hun ware innerlijk aanzien, feitelijk wordt bepaald door hun relaties met anderen en de normen en verwachtingen van die anderen. Naast individuele autonomie hebben mensen dan ook een collectieve identiteit die bijvoorbeeld wordt gevormd door het land of de plaats waar de betreffende persoon is opgevoed of waar hij werkzaam is. De autonomie van het individu kan dan ook niet los gezien worden van zijn omgeving.