Einde inhoudsopgave
De rol en positie van de raad van toezicht van de stichting (IVOR nr. 112) 2018/3.2.4
3.2.4 Materiële kenmerken
mr. M.J. van Uchelen-Schipper, datum 04-02-2018
- Datum
04-02-2018
- Auteur
mr. M.J. van Uchelen-Schipper
- JCDI
JCDI:ADS384882:1
- Vakgebied(en)
Ondernemingsrecht / Corporate governance
Ondernemingsrecht / Economische ordening
Ondernemingsrecht / Rechtspersonenrecht
Voetnoten
Voetnoten
Ook voor de vereniging geldt een (winst)uitkeringsverbod.
De vereniging, coöperatie en de onderlinge waarborgmaatschappij worden gezien als corporatieve rechtspersonen. Zie hierover paragraaf 4.2. Ook de NV en de BV zijn van oorsprong corporatieve rechtspersonen, waar in plaats van leden aandeelhouders met elkaar samenwerken in een vennootschappelijk verband. Tegenwoordig is de enige wettelijke samenwerkingsverplichting van aandeelhouders nog het deelnemen in het in aandelen verdeelde kapitaal. Zie ook Asser/Maeijer, Van Solinge & Nieuwe Weme 2-II* 2009/11.
Artikel 1 van de WS 1956 luidde als volgt:
Artikel 1
Een stichting is een door een rechtshandeling in het leven geroepen rechtspersoon, welke geen leden kent en beoogt met behulp van een daartoe bestemd vermogen een bepaald doel te verwezenlijken.
Indien de statuten een of meer personen de bevoegdheid geven in de vervulling van ledige plaatsen te voorzien, wordt zij niet uit dien hoofde aangemerkt leden te kennen.
Het doel van de stichting mag niet inhouden het doen van uitkeringen aan oprichters of aan hen die deel uitmaken van haar organen noch ook aan anderen, tenzij wat deze laatsten betreft de uitkeringen een ideële of sociale strekking hebben.
In de MvT bij de WS 1956 is te lezen dat de stichting zich onderscheidt van een vereniging door de betekenis die het vermogen heeft voor het doel en door het ontbreken van voor het doel samenwerkende leden.1 In de in artikel 1WS 1956 opgenomen omschrijving staan, evenals in het huidige artikel 2:285 BW, drie elementen die kenmerkend zijn voor de stichting:
het ledenverbod;
het hebben van een vermogen dat doelgebonden is (bestemd is voor een bepaald doel); en
het uitkeringsverbod.
Elementen 2 en 3 zien op het doel van de stichting, op haar werkzaamheden, en hangen met elkaar samen en zouden in plaats van twee ook één rechtskenmerk genoemd kunnen worden. Het ledenverbod betreft de interne organisatiestructuur van de stichting, maar vertoont – zoals hierna zal worden uitgewerkt – eveneens een zekere samenhang met de andere twee kenmerken.
Met name het ledenverbod had aanvankelijk ten doel om het hiervoor genoemde “misbruik van de stichting” te voorkomen en de stichting te onderscheiden van de vereniging.2 Met het ledenverbod, het doelgebonden vermogen en het uitkeringsverbod onderscheidt de stichting, die een instellingskarakter heeft, zich ook van andere corporatieve rechtspersonen met leden of aandeelhouders, dat wil zeggen: de coöperatie, de onderlinge waarborgmaatschappij, de NV en de BV (welke laatste rechtsvorm destijds nog niet bestond).3