Einde inhoudsopgave
Bestuurdersaansprakelijkheid in theorie (IVOR nr. 108) 2017/10.6.1
10.6.1 Inleiding
mr. W.A. Westenbroek, datum 01-09-2017
- Datum
01-09-2017
- Auteur
mr. W.A. Westenbroek
- JCDI
JCDI:ADS347336:1
- Vakgebied(en)
Ondernemingsrecht / Rechtspersonenrecht
Voetnoten
Voetnoten
Timmerman 2016, par. 4 betoogde dat het rechtspolitiek goed verdedigbaar is dat het handelen in de hoedanigheid van bestuurder via het begrip ‘ernstig verwijt’ tot een aangepaste toepassing leidt van het algemene aansprakelijkheidsrecht van Boek 6 BW. Het algemene aansprakelijkheidsrecht mag best met een beetje ondernemingsrechtelijk serum geïnjecteerd worden, aldus Timmerman. Ik denk hier anders over, omdat ik vind dat het niet aan de rechter is het algemene aansprakelijkheidsrecht van Boek 6 BW ‘aangepast’ toe te passen zonder dat de wetgever daartoe heeft besloten.
HR 5 september 2014, NJ 2015, 21 m.nt. P. van Schilfgaarde en JOR 2014/296 m.nt.M.J. Kroeze (Hezemans Air).
HR 5 september 2014, NJ 2015, 22 m.nt. P. van Schilfgaarde en JOR 2014/325 m.nt. S.C.J.J. Kortmann (RCI/Kastrop).
HR 20 juni 2008, NJ 2009, 21 m.nt. J.M.M. Maeijer en H.J. Snijders (Willemsen/NOM).
r.o. 5.3.
Naast het argument van primair en secundair handelen, onderbouwt de Hoge Raad de verhoogde drempel voor aansprakelijkheid in de vorm van de ernstigverwijtmaatstaf in Hezemans Air1 en RCI/Kastrop2 door te overwegen dat een maatschappelijk belang bestaat dat wordt voorkomen dat bestuurders hun handelen in onwenselijke mate door defensieve overwegingen laten bepalen. De Hoge Raad verwees in dat verband naar het arrest Willemsen/NOM.3 Dit arrest had betrekking op de vraag of een aandeelhouder een bestuurder op grond van onrechtmatige daad kon aanspreken voor zijn handelen als bestuurder van de rechtspersoon. De Hoge Raad overwoog als volgt:4
“Ingevolge art. 2:9 BW is elke bestuurder tegenover de rechtspersoon gehouden tot een behoorlijke vervulling van de hem opgedragen taak. Deze bepaling wordt naar vaste rechtspraak aldus uitgelegd, dat voor aansprakelijkheid op de voet daarvan noodzakelijk is dat aan de bestuurder een ernstig verwijt kan worden gemaakt.
Bij de beoordeling of de bestuurder inderdaad een ernstig verwijt treft als zojuist bedoeld, moeten alle omstandigheden van het geval worden betrokken (HR 29 november 2002, nr. C 01/096, NJ 2003, 455).
In deze zaak gaat het echter niet om de aansprakelijkheid van de bestuurder tegenover de rechtspersoon die hij bestuurt, maar tegenover een individuele aandeelhouder. Het onderdeel stelt in wezen de vraag aan de orde of de voormelde norm voor interne aansprakelijkheid overeenkomstig heeft te gelden wanneer een individuele aandeelhouder een bestuurder aansprakelijk stelt voor de wijze waarop deze zijn bestuurstaken heeft uitgeoefend. Deze vraag moet bevestigend worden beantwoord. Door een hoge drempel te aanvaarden voor aansprakelijkheid van een bestuurder tegenover de door hem bestuurde vennootschap wordt mede het belang van die vennootschap en de daarmee verbonden onderneming gediend omdat daardoor wordt voorkomen dat bestuurders hun handelen in onwenselijke mate door defensieve overwegingen laten bepalen. Gezien de zelfgekozen betrokkenheid van individuele aandeelhouders bij de gang van zaken binnen de vennootschap, brengen de in art. 2:8 lid 1 BW bedoelde maatstaven van redelijkheid en billijkheid mee dat de hoge drempel van art. 2:9 BW overeenkomstig van toepassing is bij een door een individuele aandeelhouder tegen een bestuurder aanhangig gemaakte aansprakelijkheidsprocedure.”
Wij hebben hiervoor in par. 5.3.2 reeds gezien dat vanuit wetshistorisch oogpunt vraagtekens kunnen worden geplaatst bij deze onderbouwing van de ernstigverwijtmaatstaf, omdat de hoge drempel voor aansprakelijkheid (zou men deze terminologie willen hanteren) al besloten ligt in de vraag of sprake is van (on)behoorlijke taakvervulling. Die vraagtekens doen echter niet af aan het feit deze onderbouwing, hoewel wetshistorisch ondeugdelijk voor de ernstigverwijtmaatstaf, inhoudelijk wel rijmt met de wetsgeschiedenis. De wetgever wilde met de behoorlijke taakvervullingsnorm de bestuurder immers beleidsruimte geven en duidelijk maken dat ondernemen mogelijk moet blijven, “zonder al te grote persoonlijke risico’s” (zie par. 3.7.8 en par. 5.3.10).5