Einde inhoudsopgave
De Nederlanden en het Vrijgraafschap Bourgondië tussen paus en keizer (SteR nr. 21) 2015/II.2
II.2 Het patronaatsrecht vóór Karel V
dr. P.P.J.L. Van Peteghem, datum 01-06-2015
- Datum
01-06-2015
- Auteur
dr. P.P.J.L. Van Peteghem
- JCDI
JCDI:ADS387813:1
- Vakgebied(en)
Rechtswetenschap / Rechtsgeschiedenis
Staatsrecht / Staatsinrichting
Voetnoten
Voetnoten
P. Leisching, Patronat, in: HRG, Berlin 1984, III, Sp. 1558-1564. Zie ook: El derecho de patronato, in: M. Barrio Gozalo, El sistema beneficial de la Iglesia Española en el Antiguo Regimen, Madrid 2010, 21-26; E. Catalán Martínez, El derecho de patronato y el regimen beneficial de la Iglesia Española en la Edad Moderna, in: Hispania Sacra 56 (2004) 135-168 en Péter Erdö, Patronato [derecho de], in: DGDC, V, 983-987.
E. Bünz, Eigenkirche, in: HRG2, Berlin 2004, I, Sp. 1267-1269. Zie ook: C.16 q.7 c. 26.
P. Landau, Jus Patronatus. Studien zur Entwicklung des Patronatrechts im Dekretalenrecht und der Kanonistik des 12. und 13. Jahrhunderts, Berlin 1975, 213, waar bevestigd wordt dat het patronaatsrecht opgenomen is in het ‘ius commune’.
Sessio XXV, de reformatione, c. 9, in: COGD, III, 167-168.
G. Brom en A. Hensen, Romeinsche bronnen voor den kerkelijk-staatkundigen toestand der Nederlanden in de 16de eeuw, ’s-Gravenhage 1922 (RGP, GS 52) 63-65, nr. 73.
X.3.38.16 De iure.
Later werd hierop een uitzondering van toepassing, toen men eraan toevoegde ‘nisi cum universitate’.
P. van Peteghem, Centralisation aux anciens Pays-Bas. Le droit de patronage laique (1384-1598), in: Églises et pouvoir politique. Actes des Journées Internationales d’Histoire du Droit d’Angers, Angers 1987, 167-191.
De benadering van de juridische dossiers zal de beste garantie bieden voor een genuanceerde bestudering van dit probleem.
Zie: ‘ius patronatus et presentandi personas idoneas ad quecunque ecclesias et beneficia ecclesiastica, cuiuscunque qualitatis fuerint’, CDP, I, 255: 7 juni 1514: Leo X aan Emmanuel, koning van Portugal.
Zowel het aantal als de waarde (valor) van elk beneficium was destijds op schrift gesteld.
X.3.38.22 Eam te decet. Bij een geschil over patronaatsrecht, dat binnen zes maanden na de vacature niet was opgelost, ging het recht tot verlening over naar de bisschop.
VI.3.19.1 §1 Si laicus.
VI.3.4.2 Licet ecclesiarum.
L’affaire de la régale de Tournai (1710-1713), in: M. van Meerbeeck, Zeger-Bernard Van Espen et Ernest Ruth d’Ans: Une collaboration au sein de l’“internationale janséniste”, in: G. Cooman e.a., Zeger-Bernard Van Espen at the Crossroads of Canon Law, History, Theology and Church-State Relations, Leuven 2003, 165-172. Zie verder: M. van Meerbeeck, Ernest Ruth d’Ans, “patriarche des jansénistes” (1653-1728). Une biographie, Louvain-la- Neuve 2006.
M. Gubbels, De civiele procesgang in eerste aanleg voor het Hof van Gelre en Zutphen in de zestiende eeuw: een eerste verkenning, in: M. Gubbels en C. Jansen, Regio. Rechtshistorische opstellen aangeboden aan dr. P.P.J.L. van Peteghem, Nijmegen 2010, 171 en 175103.
Daarbij kwam men soms tot ingewikkelde constructies, zoals de ‘permutatio quinquangularis’’. Zie: H. Callewier, De Papen van Brugge. De seculiere clerus in een middeleeuwse wereldstad, 1411-1477, Leuven 2014, 213, tabel 19.
Voorzichtigheid is hier geboden bij de lectuur van deze terminologie, die eeuwen werd gebruikt en gaandeweg ook verschillende nuances meenam, vooral omdat het graafschap Vlaanderen, dat in kerkrechtelijk opzicht onder de Doornikse bisschop ressorteerde, afstand nam van dit recht.
G. Mollat, Bénéfices ecclésiastiques en Occident, in: DDC, II, 413-416.
B. Boute, Academic Interests and Catholic Confessionalisation: the Louvain privileges of nomination to ecclesiastical benefices, Leiden 2010, 134, 175: bul ‘Urget nos’.
Hier haalde Viglius in 1526 zijn doctorstitel, maar hier studeerde ook Balthasar Geraerds.
K. Pennington, Corpus iuris canonici, in: DGDC, II, 757-765.
L. Gross, Die Reichsregisterbücher Kaiser Karls V., Wien-Leipzig 1930, III, XI-XII, XXII en XXVII.
W. Reinhard, Geschichte der Staatsgewalt. Eine vergleichende Verfassungsgeschichte Europas von den Anfängen bis zur Gegenwart, München 20002, 264 en 270.
A.-J. Bijsterveld, Laverend tussen Kerk en wereld. De pastoors in Noord-Brabant 1400-1570, Amsterdam 19932, II, 519, nr. 896. Zie nu: P. Behets, Inventaris van het archief van de Raad van Brabant: processen van particulieren (tweede reeks) 1477-1632 (vnl. 1529-1632), Brussel 2013, 40, nr. 130 (opvolging Nicolaas Busius). G. van den Elsen en W. Hoevenaars, Analecta Gijsberti Coeverincx, ’s-Hertogenbosch 1905, I, 7-10 en 233, waar Adriaan Loeff deken is. In die functie werd hij onderuitvoerder voor de oprichting van het bisdom ’s- Hertogenbosch en van de aanduiding van de grenzen ervan.
Noteer dat het woord ‘deken’ hierna nooit de betekenis heeft van ‘deken van de christenheid’.
ARAB AUD 1413/3: 10 april 1557.
P. Landau, Zum Ursprung des ‘ius ad rem’ in der Kanonistik, in: St. Kuttner, ed., Proceedings of the Third International Congress of Medieval Canon Law, Strasbourg, 3-6 September 1968, Città del Vaticano 1971, 81-102. Zie vooral: Commentaria R.P.D. Ludovici Gomes, episcopi Sarnensis, in Regulas Cancellariae iudiciales, Venetiis 1540, 16v, nr. 27- 18r, nr. 40, waar hij tien manieren opsomt om tot het ‘ius ad rem’ te komen.
VI.1.3.5 Si gratiose.
R. Feenstra, Ius in re: het begrip zakelijk recht in historisch perspectief: voordracht, Zwolle 1979, 15-16, waar Feenstra zich voor ‘ius ad rem’ aansluit bij Landau. Zie voor ‘ius in re’ in het canonieke recht: VI.3.4.17 Si tibi absenti.
D. Aboi Rubio, Título, in: DGDC, VII, 594-597.
D. 70 c.2 §1 Omnino autem. Niemand mocht zonder titel tot priester gewijd worden, maar hij moest ook niet te veel titels willen.
X.3.5.4 Episcopus; X.3.5.16, waar dezelfde woorden als ‘vitae necessaria’ voorkomen.
X.3.5.2 Non licet.
X.3.5.4 Episcopus si aliquem.
X.3.5.16 Cum secundum Apostolum.
X.3.5.2, 4 en 16.
E. Pool, Een kwestie van titels: causa van bezit, verjaring en eigendom naar klassiek Romeins recht, s.l. 1995. Let op ‘incolorate’ met de vertaling ‘zonder opgaaf van reden’ in D.4.4.18. Zie ook: P. Rebuffus, Praxis beneficiorum, Lugduni 1599, 792: Coloratio tituli fit tribus modis.
Clem.1.2.4 Gratiae.
Zoeken we naar de belangrijkste stap in de aanstelling van kandidaten voor een geestelijk ambt tussen de H. Paulus en de Reformatie, dan komen we uit bij de instelling van het patronaatsrecht.1 Dit patronaatsrecht was het antwoord van de Kerk op de te grote inmenging van de leken op de verlening van de beneficies in de eigenkerk. Daarbij liet de wereldlijke heer op zijn grond een kerk oprichten en matigde hij zich het recht toe om op eigen gelegenheid kerkelijke ambten te bezetten.2 Het patronaatsrecht was in de twaalfde eeuw een juridisch antwoord van de paus in de dagen na de investituurstrijd. Was dit patronaatsrecht in het begin een zuiver geestelijk recht, dan werd het bij het Derde Concilie van Lateranen een recht, dat nauw verbonden was met het spirituele. Hierdoor gaf de Kerk onder Alexander III aan de leek de kans om stichtingen te doen, waarvoor hij in ruil bepaalde rechten in de aanstelling van kerkelijke ambten ontving. Op grond van deze toegeving (servitus) van de Kerk zouden later problemen ontstaan.
Dit nieuwe rechtsinstituut (‘ius patronatus’ of patronaatsrecht) was gebaseerd op drie pijlers. De eerste pijler was het bezit van de grond, waarop de kerk zou staan (fundus, fundatio); de tweede de bouw van de kerk (aedificatio, constructio) en de derde de bruidschat, waarmee de kerk haar autonomie kon in stand houden (dos, dotatio).3 Aan deze grondregel heeft het Concilie van Trente geen wijziging aangebracht, omdat de kerk hoopte dat de leek gul zou blijven geven.4 Met het oog op de nieuwe bisdommen in de Nederlanden was het ‘ius patronatus’ van de vorst bovendien de belangrijkste juridische basis voor het verzoek van dr. Franciscus Sonnius aan paus Paulus IV, waardoor de paus aan Filips II de nominatie van de bisschoppen toestond.5 Onvermijdelijk kwam in het verloop van de geschiedenis van het patronaatsrecht het grote dispuut om de hoek kijken: was het patronaatsrecht een geestelijke zaak of een temporele zaak, die eng verbonden was met het spirituele? In het derde Concilie van Lateranen had Alexander III de mening doen zegevieren dat het patronaatsrecht een gemengd karakter had.6 De mening van Alexander III betekende ook dat de verkoop van het patronaatsrecht verboden was (jus patronatus per se vendi non potest).7 Rechtshandelingen stonden uitsluitend onder de hoede van de kerkelijke jurisdictie, maar de kerk kon deze bevoegdheid in patronaatszaken niet doorzetten. Een betwisting van een rechtstitel van een beneficie werd in de Nederlanden van de zestiende eeuw behandeld als een civiele zaak en kwam voor de justitieraden van de vorst.8 Soortgelijke verschuivingen stonden onder de druk van de openbare staatsgodsdienst. Weinig onderdelen van het canonieke recht werden zo beïnvloed door de staatsvorming als het patronaatsrecht, zodat de definitie ervan bijna onmogelijk was, omdat zich zo vele verschillen manifesteerden in bestuur, recht op presentatie en gerechtelijke instanties. Het zakelijke overwoekerde het persoonlijke.9
In het patronaatsrecht moeten we twee belangrijke groepen onderscheiden: het kerkelijke patronaatsrecht en het patronaatsrecht van de leken. Onder deze laatste groep eist het vorstelijk patronaatsrecht de grootste aandacht op, zodat de vorst de gang van zaken in geestelijke aangelegenheden in belangrijke mate kon bepalen. Als leek was de vorstelijke patroon in de mogelijkheid om een geschikte kandidaat voor een geestelijke dienst voor te stellen.10 Om het onderscheid tussen de kerkelijke patroon en de vorst of een andere persoon als lekenpatroon duidelijker te maken wijzen we eerst op de gelijkenissen en verschillen tussen beide, waarna we dieper ingaan op het presentatierecht en op de juridische stappen in het verwerven van het patronaatsrecht.
Zowel de Kerk als de Staat kon het patronaatsrecht verder ontwikkelen. Beiden konden hun grond ter beschikking stellen voor de constructie van een kerk en konden vervolgens de fondsen ter beschikking stellen om de kerk te onderhouden. Door de rechten van de vroegere stichters van (kapittel)kerken en abdijen te verzamelen kon de vorst als erfgenaam van de heren, graven en hertogen in de Nederlanden een bijzonder groot aantal beneficies ter beschikking stellen.11
Een kerkelijke patroon was het niet toegestaan om een nieuwe kandidaat voor te stellen voor een beneficie. Gebeurde dat wel, dan volgde een verbod om nog een voorstel te doen. Een lekenpatroon mocht iemand voorstellen en hij kon bij afkeuring van de kandidaat wel afwisselen en de eerste kandidaat terugtrekken. De patroon van een kerkelijk beneficie (kerk of klooster) kreeg een periode van zes maanden om een kandidaat voor te stellen.12 Een lekenpatroon had slechts vier maanden, maar in die tijd had hij de kans om meer dan één voorstel te doen.13 De paus of bij delegatie zijn legaat of nuntius kon naar vrije beschikking een kandidaat een beneficie verlenen, indien het om een kerkelijk beneficie ging. Indien het patronaatsrecht van een leek echter van toepassing was, dan moest de paus zijn handen van dit beneficie afhouden.14
Bekijken we het presentatierecht nader, dan stellen we twee onderscheiden stappen vast. Vooreerst had er een verkiezing of keuze plaats van een kandidaat, die moest voorgesteld worden. Vervolgens moest er een voorstel gedaan worden aan de bisschop of de geestelijke, die de ‘institutio’ zou regelen van de voorgestelde kandidaat. Op deze wijze ontstond er dubbelzinnigheid en werd er zowel over ‘verkiezing’ als over ‘voorstelling’ gesproken. Iets soortgelijks deed zich voor bij het ‘collatierecht’. ‘Collatie’ is afgeleid van ‘conferre’, wat betekent ‘verlenen’ in de zin van ‘een recht geven’. De collatie van beneficies behoorde aan de gewone collator. Hiermee was bedoeld: iedereen, die kerkelijke jurisdictie had over een bepaald gebied of iedereen, die uit kracht van gewoonte, van een recht of privilege soortgelijke bevoegdheid had, zoals een bisschop of een abt. Bij uitbreiding kon de paus ook aan een leek een soortgelijke bevoegdheid geven.
Voorzichtigheid is geboden bij het gebruik van het collatierecht, omdat in het spraakgebruik zowel de termen geestelijk als vorstelijk collatierecht voorkomen. Het collatierecht werd nog verder ondergraven, wanneer we vaststellen dat in de achttiende eeuw de Staten-Generaal van de Republiek der VII Provincies in Doornik het recht hadden om een kanunnik aan te stellen op basis van de ‘régale’.15 Wanneer na de Reformatie de term ‘collatierecht’ in gebruik bleef, was er in de gereformeerde landen geen institutie meer in katholieke zin. Toch bleef de uitdrukking ’collatio in temporalibus’ gebruikelijk.16
In het collatierecht werd een onderscheid gemaakt tussen het vrije collatierecht en het collatierecht met exclusieve werking. In het eerste geval kon de collator het beneficie verlenen aan wie hij wilde. Dat gebeurde, wanneer de bisschop het patronaatsrecht van een kerk bezat. In het tweede geval was de collator gehouden om de kandidaat aan te stellen, die hem voorgesteld was. Dit laatste gebeurde bij een benoeming door een universiteit, bij een voorstelling door de patroon of indien er een wijziging gebeurde op basis van een ‘permutatio*’17 van beneficies. In deze gevallen viel collatio samen met institutio.
Karel V verkreeg van de Franse koningen een deel van hun ‘droit de régale spirituelle’ in de aangehechte gebieden van Doornik met het Doornikse en het graafschap Artesië.18 Onder dit ‘droit de régale’ verstond men het recht van de Franse koning om beneficies te verlenen tijdens de ‘sedisvacatio’ of de periode, waarin een (aarts)bisschop was overleden, maar men moest wachten op de nieuw aangestelde titularis voor de uitvoering van de institutie.19 Deze verwarring in de terminologie verraadt ook de wederzijdse druk, die bestond in de relatie tussen Kerk en Staat. De ‘libertas ecclesiae’ werd dan door de opdringerigheid van de staat geweld aangedaan.
Tussen het ‘ius praesentationis’ en het ‘ius nominationis’ groeide een bepaalde spanning. Het benoemingrecht was een recenter verschijnsel aan het firmament van de beneficies. Dit benoemingrecht was nauw verbonden met de hoge vlucht van de universiteiten, die van de paus vaak speciale benoemingregelingen verkregen, zoals vanaf Sixtus IV ook het geval was voor de universiteit van Leuven.20 Hierbij mag de universiteit van Dole in het Vrijgraafschap Bourgondië niet vergeten worden,21 terwijl onder Filips II de universiteit van Douai werd opgericht.
Dit benoemingrecht ontsnapte, net zoals het ‘ius collationis’ of ‘de collatione’, aan een afzonderlijke titel in de ‘canones, tituli et capituli Corporis Iuris Canonici’. Wel was er de opname van beide rechten in de teksten van het canonieke recht als ‘ius commune’, waarover we verder na deze uiteenzetting over het patronaatsrecht uitleg geven. Zo bestond het benoemingrecht voor de Kerk wel in de praktijk, maar niet in de officiële teksten, die in het Corpus iuris canonici22 zouden belanden. Verder was er nog financieel voordeel. Bij de locale interne verkiezing door clerici ging de voorkeur uit naar kandidaten uit eigen midden. Met de benoeming kwamen externe kandidaten meer aan bod, die door de paus of de vorst waren voorgesteld en die gemakkelijker bereid waren om aan dezen financiële lasten op hun beneficie toe te staan. Naar gelang van het land of van de instelling kon de betekenis van een ‘benoeming’ sterk uiteenlopen en aanleiding geven tot veel onduidelijkheid.
Dat benoemingrecht vertoonde in het Heilige Roomse Rijk een gelijktijdige ontwikkeling met de opkomst van indulten en het ‘ius Primariarum Precum’, dat vanaf paus Nicolaas V als een indult werd toegestaan aan de Rooms-Koning en aan de keizer. Toch was dat benoemingrecht aldaar wezenlijk verschillend van het recht van de Eerste Beden*.23 Gaandeweg werd dit benoemingrecht beschouwd als een exclusief voorstellingsrecht en breidde het zich verder uit in Europa.24
Een duidelijk voorbeeld van de manier waarop de Raad van Brabant in dit ‘benoemingrecht’ tussenbeide kwam, biedt de proceszaak tussen meester Adriaan Loeff25 en meester Servaas Schilders, die beiden aanspraak maakten op het dekanaat van Hilvarenbeek. Meester Servaas was door het kapittel tot deken26 gekozen, maar meester Adriaan vroeg de verbreking, omdat hij van mening was dat het dekanaat een digniteit was, waarover de vorst beschikte. De procureur-generaal van de Raad van Brabant kwam als gevoegde partij de zaak van Filips II en van meester Adriaan steunen. Meester Servaas verloor de zaak en moest de gerechtskosten betalen.27
Naast de terminologie moet er ook aandacht gevraagd worden voor de juridische stappen in het patronaatsrecht. Er bestond een fase in het patronaatsrecht, waarbij de kandidaat voor een beneficie of een prebende in een wachtzaal werd geplaatst. Deze stap noemde men het ‘ius ad rem’. Het was de voorbereiding op het definitieve bezit van het beneficie.28 Het ‘ius in re’ verwees naar het volle bezit van een beneficie: het recht op een prebende. Terwijl het ‘ius ad rem’ een verwachtingsrecht was om een prebende te verkrijgen, was het ‘ius in re’ een recht sui generis. Het ‘ius in re’ vereiste ook dat men de collatie aanvaard had en dat ze naar canoniek recht door een ‘institutio’ was bevestigd, want alleen beneficies, die volgens het canoniek recht waren verkregen, kon je naar recht behouden.29 Zolang dit recht niet door een bezitstitel bevestigd was, werd hierover zwaar gestreden in de rechtbanken voor civiele rechtspraak.30
De titel31 van een beneficie was dus rechtens van het hoogste belang en verschilde principieel van betekenis met een bezitstitel in het Romeinse recht, omdat de institutio door de kerkelijke gezagsdrager en de aanvaarding door de kandidaat het sluitstuk betekenden voor het krijgen van de titel. Hier creëerde het canonieke recht al vroeg neologismen: titulare en attitulare, want niemand mocht titels hebben in twee kerken.32 De titel was in het canonieke recht de weg naar de ‘necessaria vitae’,33 ‘alimoniae’,34 naar de ‘stipendia militiae clericalis’35 en naar het ‘competens beneficium ecclesiasticum’,36 d.w.z. het loon voor de spirituele dienst. Indien de bisschop iemand tot priester had gewijd, die nog geen titel had, moest de bisschop zelf zorgen voor de gewijde.37 Voor het Romeinse recht was evenzeer onbekend: de ‘titulus coloratus = gekleurde titel’, net zoals in de klassieke woordenboeken het woord ‘incoloritas’ niet voorkwam.38
Hiermee werd verwezen naar een titel, die slechts in schijn en niet in werkelijkheid de elementen bevatte, die nodig waren voor het bezit. Het volstond dat men de titel had verkregen van iemand, die collatierecht bezat, en dat men geen geweld had gebruikt om de titel te verwerven. Zo veronderstelde men in de Kanselarijregels dat het vreedzaam driejarig bezit van een gekleurde titel recht gaf op het beneficie. Deze regelgeving was in de periode van Avignon ingevoerd door Clemens V en later ondanks onduidelijkheid toch in de Kanselarijregels uitgegroeid tot de ‘regula de triennali possessione’.39