Einde inhoudsopgave
De geschillenregeling ten gronde (VDHI nr. 108) 2011/VI.3.5.a
VI.3.5.a Voeging
prof.mr. C.D.J. Bulten, datum 28-04-2011
- Datum
28-04-2011
- Auteur
prof.mr. C.D.J. Bulten
- JCDI
JCDI:ADS382182:1
- Vakgebied(en)
Ondernemingsrecht / Rechtspersonenrecht
Voetnoten
Voetnoten
In het algemeen geldt voor voeging dat het belang van de derde is om benadeling van zijn rechten of rechtspositie te voorkomen, als de beslissing in het nadeel uitvalt van de partij aan wiens zijde hij wil voegen. Zie Snijders, Klaassen en Meijer (2007), nr. 183. De voegende aandeelhouder in de uitstotingsprocedure is een meer bijzondere derde, omdat hij te kennen geeft dezelfde positie als de eiser te willen bekleden. Benadeling van zijn rechten of rechtspositie is met de afwijzing van de uitstotingsvordering bovendien niet direct gegeven.
In de uitstotingsprocedure is rekening gehouden met de aandeelhouders die zich aan de zijde van de eisende aandeelhouders willen voegen. Voeging ex art. 217-219 Rv is bijvoorbeeld wenselijk omdat deze aandeelhouders geen verschuiving in de aandeelverhoudingen wensen. Zij willen een deel van de over te dragen aandelen ontvangen en scharen zich dus aan de kant van de eisende aandeelhouder. Deze overige aandeelhouders zijn van de procedure op de hoogte, omdat de dagvaarding hen op grond van art. 997a lid 2 Rv via de vennootschap heeft bereikt. In de incidentele vordering tot voeging moeten zij de wens te kennen hebben gegeven in dezelfde positie als de aanvankelijk enige eisende aandeelhouder te willen worden geplaatst, aldus (geparafraseerd) de laatste zin van art. 2:341 lid 1 BW.1 Wordt de incidentele vordering toegewezen, dan zal het bevel tot overname en betaling van art. 2:340 lid 2 BW ook hen gelden.
In een uittredingsprocedure leidt niet voeging aan de kant van de eisende aandeelhouder doch aan de kant van de gedaagde aandeelhouder tot hetzelfde resultaat. Art. 2:343 lid 3 BW laatste zin bepaalt dat de voegende aandeelhouder te kennen moet geven in dezelfde positie als de gedaagde te willen verkeren. De plicht tot overname en betaling van de aandelen rust dan op hen allebei. De verwatering van het aandelenbezit wordt zo voorkomen.