Bedrijfswaarde (FM)
Einde inhoudsopgave
Bedrijfswaarde (FM nr. 83) 1997/5.3.1.2:5.3.1.2 Bedrijfswaarde in de parlementaire behandeling
Bedrijfswaarde (FM nr. 83) 1997/5.3.1.2
5.3.1.2 Bedrijfswaarde in de parlementaire behandeling
Documentgegevens:
G.Th.K. Meussen, datum 07-10-1997
- Datum
07-10-1997
- Auteur
G.Th.K. Meussen
- JCDI
JCDI:ADS351689:1
- Vakgebied(en)
Vennootschapsbelasting / Algemeen
Inkomstenbelasting / Algemeen
Inkomstenbelasting / Winst
Toon alle voetnoten
Voetnoten
Voetnoten
Handelingen II, 9 december 1982, blz. 1104, m.k. en r.k.
Deze functie is alleen te gebruiken als je bent ingelogd.
Tijdens de parlementaire behandeling van de Wet van 22 december 1982, Stb. 723 is zowel in de Tweede als ook Eerste Kamer het begrip bedrijfswaarde onderwerp van beraadslaging geweest. Staatssecretaris Van Amelsvoort1 sprak toen de volgende memorabele woorden met betrekking tot de relatie tussen de gecorrigeerde vervangingswaarde en de bedrijfswaarde uit: 'Ik ben ervan overtuigd, dat de aldus gecorrigeerde vervangingswaarde in de regel niet zal uitgaan boven de waarde die het onroerend goed voor die ondernemer zelf heeft: de bedrijfswaarde of de indirecte opbrengstwaarde. Het lijkt mij in dit verband aanvaardbaar om niet alleen rekening te houden met de afschrijving, maar ook met de lagere waardering door een onderneming dan uit het afschrijvingsstelsel voortvloeit tot op de indirecte opbrengstwaarde. De waardering van deze specifieke onroerende goederen kan dan wel uitgaan boven de waarde in het economische verkeer, de directe opbrengstwaarde.'
Aan de nota naar aanleiding van het eindverslag van de vaste Commissie van de Eerste Kamer" kan het volgende ontleend worden: 'In de bedrijfseconomie wordt de waarde die resteert als gevolg van deze economische veroudering ook wel als bedrijfswaarde of indirecte opbrengstwaarde aangeduid. (...) Met het voorgaande is impliciet een antwoord gegeven op de vraag van deze leden of een vrij recent gebouwd onroerend goed een waarde kan vertegenwoordigen van vrijwel nihil. Het antwoord op deze vraag luidt dat dit in de specifieke omstandigheden van een situatie kan voorkomen, nl. indien de functionele verouderingscomponent buitengewoon groot zou blijken te zijn.'
Conclusie: Er mogen ten aanzien van een en dezelfde onroerende zaak twee berekeningen naast elkaar worden gemaakt, ten eerste een berekening ter bepaling van de gecorrigeerde vervangingswaarde en ten tweede een ter bepaling van de bedrijfswaarde. Vervolgens mag de laagste van de twee als heffingsgrondslag voor de gemeentelijke onroerende-zaakbelasting gelden. Dat dit in het kader van de bedrijfswaardebenadering onder omstandigheden tot een zeer lage waardering zou kunnen leiden, heeft de staatssecretaris met zijn woorden waarschijnlijk niet kunnen bevroeden.