Einde inhoudsopgave
Grenzen van het strafrecht in de voorfase (SteR nr. 60) 2023/1.4.2
1.4.2 Communitarisme
mr. E.A.J. Nab, datum 12-01-2023
- Datum
12-01-2023
- Auteur
mr. E.A.J. Nab
- JCDI
JCDI:ADS715441:1
- Vakgebied(en)
Materieel strafrecht (V)
Voetnoten
Voetnoten
Schreiber 1979, p. 191.
Spoormans 1995, p. 129.
Van Gunsteren 1998, p. 20. In vergelijkbare zin wordt binnen de vergeldingstheorie wel gezegd dat de straf geen middel tot een doel is, maar een doel op zich.
De Jong 2016, p. 3-4 en 10; Van Gunsteren 1998, p. 19 en 20; Spoormans 1995, p. 129; Schreiber 1979, p. 191. Vgl. ook: De Jong 2021, p. 688. Dat kan bijvoorbeeld ook treffend tot uitdrukking worden gebracht door niet van burgers, maar van ‘volksgenoten’ te spreken (Schreiber 1979, p. 191).
Marshall & Duff 1998, p. 20. Vgl. De Jong 2021, p. 692.
Marshall & Duff 1998, p. 19.
Duff 1998, p. 253-255. Duff wijst erop dat in het Angelsaksische recht, de term ‘common law’ dat mooi tot uitdrukking brengt: het gemeenschappelijke recht.
Devlin 1965, p. 10-11 en 13-14.
Lacey 2016, p. 2-3, 6-7, 13 en 26; Strijards 1995, p. 106; Kelk 1987, p. 266; ’t Hart 1983, p. 228; Pompe 1959, p. 46-47. Zie ook: Altena 2016, p. 21. Zelfs de grondwet kan de democratische wetgever immers wijzigen, zij het met een bijzondere meerderheid.
Zie ook: Duff 1998, p. 256. ’t Hart gebruikt voor de bescherming van deze rechten overigens de term ‘instrumentaliteit’ (‘t Hart 1998, par. 2), maar zoals Rozemond mijns inziens terecht opmerkt is dat nogal verwarrend, omdat het hier om de bescherming van fundamentele rechten gaat (Rozemond 1999, p. 123). Tegelijk is de term ‘rechtsbescherming’ hier ook verwarrend, omdat het gaat om de bescherming van slachtoffers tegen misdadigers en niet om bescherming tegen de overheid. Zie ook: De Jong 2016, p. 29.
Contrasteer dit met de liberale, meer prescriptieve en deductieve werkwijze, waarbij een afwijking van het beginsel juist wordt gezien als een te herstellen fout.
Van der Woude & Van Sliedregt 2007, p. 224; Hol & Gribnau 1999, p. 181-182; Wieland 1978, p. 198.
Vervaele 2008, p. 45.
Peters 1972, p. 15.
Van Gunsteren 1998, p. 19. Deze benadering vertoont kenmerken van een Hobbesiaanse visie op het sociaal contract (zie bijvoorbeeld: Rozemond 2003, p. 598-601).
Groenhuijsen 2005, p. 795.
Kelk 1987, p. 270.
Illustratief is dat de wetgever in het kader van de strafbaarstelling van samenspanning tot spoorwegstaking schrijft: “De ambtenaren zijn als het ware organen van het lichaam der gemeenschap en opdat het lichaam gezond en veerkrachtig blijve is wel allereerst noodig, dat de organen hunne functiën naar behooren vervullen” (Kamerstukken II 1902/03, 125, nr. 3, p. 2). In vergelijkbare zin roept Buruma het beeld op van de samenleving als raderwerk, waar individuen in opgaan (Buruma 1999, p. 15).
Kelk 1987, p. 271-272. Vgl. ook: Groenhuijsen & Van der Landen 1990, p. 22. Dit in tegenstelling tot de liberale wens vooral de verdachte tegen de samenleving te beschermen.
Dubber 2001, p. 849-850; Van Gunsteren 1998, p. 19; Kelk 1987, p. 268. Vgl. Carvalho 2017, p. 36-37.
Westen 2007, p. 246 en 247; Buruma 1999, p. 15-16; Mulder 1987, p. 409. Vgl. Carvalho 2017, p. 34 en 171.
Spek 2010, p. 227; Van der Woude & Van Sliedregt 2007, p. 221-222.
Dubber 2001, p. 840-841 en 849-850.
Carvalho 2017, p. 35; Dubber 2001, p. 840 en 846. Juist in een verdeelde samenleving is dat van groot belang (Dubber 2001, p. 846). Het gaat hier in wezen om processen van inclusie en exclusie; het bekende ‘wij-zij’-denken. Dat is soms mooi terug te zien in de afstandelijke manier waarop over misdadigers wordt geschreven alsof ze geen (mede)burgers, maar buitenstaanders zijn (De Jong 2016, p. 24; Duff 1998, p. 243-244).
Hoewel het communitarisme met zijn descriptieve benadering op het eerste gezicht wellicht politiek neutraal lijkt, is de keuze het recht voor onbekritiseerbaar te houden wel degelijk rechtspolitiek van aard (Groenhuijsen 1982, p. 283-284).
Nan 2011, p. 100.
Nan 2011, p. 25.
Groenhuijsen 1982, p. 280; Heijder 1979, p. 149; Wieland 1978, p. 198.
Groenhuijsen 1982, p. 282.
Nan 2011, p. 25. In dat proces van aanvaarding spelen allerlei opvattingen een rol, bijvoorbeeld over mensbeelden en de inrichting van de samenleving (Lacey 2016, p. 20 en 49). Denk aan vragen als: in hoeverre hebben mensen vrije wil en in hoeverre is hun gedrag gedetermineerd, zijn mensen van nature egoïstisch of altruïstisch en hoe worden democratie en religie in de samenleving begrepen en wat is de wenselijk verhouding tussen staat en burger?
Kelk 1987, p. 274.
Wilenmann 2019, p. 24; ’t Hart 1978, p. 216. Hier bestaan duidelijke verbanden met wat Hart positive morality noemt; de gedeelde morele opvattingen van een bepaalde sociale groep (Hart 1963, p. 20). Overigens is er ook veel overlap met de traditionele stroming (stroming I) die Kelk onderscheidt (Kelk 1987, p. 266-273).
Vgl. Pompe 1945, p. 45. Dat wil overigens nadrukkelijk niet zeggen dat iedere meerderheidsbeslissing per definitie normatief aanvaardbaar is. De grondgedachte is dat burgers in een democratie bereid moeten zijn met elkaar in overleg te gaan en daarbij de belangen van de ander gelijk moeten wegen aan de eigen belangen (Van Bemmelen 1973, p. 7-8). Een democratisch besluit waarmee een meerderheid zonder overleg een minderheid onderdrukt, moet evengoed worden afgekeurd als een besluit van een minderheid om met buitenparlementaire methoden haar wil aan de meerderheid op te leggen (Van Bemmelen 1973, p. 8).
Duff maakt een vergelijkbaar onderscheid tussen content-independent reasons en content-dependent reasons voor het volgen van een regel (Duff 1998, p. 247). Zie ook: De Jong 2016, p. 8.
Van Bemmelen 1973, p. 4.
Groenhuijsen & Van der Landen 1990, p. 11-12; Pompe 1945, p. 45. Ook Schreiber lijkt zich af te vragen of de wet tegenwoordig nog aan Montesquieu’s materiële eisen voldoet (Schreiber 1976, p. 218).
Scheltema 1989, p. 19.
Groenhuijsen 1987, p. 56-57. Het communitarisme heeft zo ook verwantschap met ideeën over procedurele rechtvaardigheid en met wat Rawls pure procedural justice noemt; een vorm van rechtvaardigheid waarbij geen enkel inhoudelijk criterium bestaat, maar de rechtvaardigheid van een beslissing volledig afhangt van het correct volgen van een bepaalde procedure (Rawls 1999, p. 75).
Groenhuijsen 1996, p. 100.
Altena 2016, p. 49.
Zo zou Montesquieu bijvoorbeeld van mening zijn dat de rechter ook geen mildere straf mag opleggen dan de wet voorschrijft (Altena 2016, p. 30; Groenhuijsen 2002, p. 30). Ook Altena meent dat het in strijd met de wetsgeschiedenis restrictief interpreteren van een bepaling problematisch is vanuit het oogpunt van de staatsrechtelijke machtsverdeling (Altena 2016, p. 41-42).
Daar staat tegenover dat de rechter burgers wel ongelijk kan – en zelfs moet – behandelen als de wet dat voorschrijft. Of er in een communitaristisch systeem sprake is van materiële gelijkheid, is dus afhankelijk van de democratische wetgever.
Hoewel ook Montesquieu zoekt naar waarborgen om te voorkomen dat de wetgever despotisch wordt, gaat het hier vooral om procedurele waarborgen. Inhoudelijk bindt Montesquieu de wetgever vooral aan de loi de raison. Zie: Groenhuijsen 2002, p. 31.
Van Bemmelen 1973, p. 9. Sommige strafbare feiten zouden daarom vooral strafbaar zijn om de publieke opinie gerust te stellen, zelfs als dat niet erg functioneel noch – vanuit liberaal oogpunt – rechtvaardig is (zie bijvoorbeeld: Wilenmann 2019, p. 8 en 22; Peters 1966, p. 269. Peters spreekt overigens in het kader van zijn proefschrift vooral over culpoze delicten).
Wilenmann 2019, p. 6-7 en 11; De Jong 2016, p. 3; Van Klink 2002, p. 11; Van Klink 1998, p. 35-36.
Wilenmann 2019, p. 5; Van Klink 2002, p. 15-19; Van Klink 1998, p. 59, 100 en 267. Dat is volgens mij niet helemaal hetzelfde als legal moralism zoals Wilenmann dat ziet. Wilenmann ziet legal moralism namelijk als een top-down benadering, waarmee hij impliceert dat de morele juistheid van een bepaalde gedraging als het ware van boven wordt gegeven, terwijl de communitaristische benadering mijns inziens beter kan worden beschouwd als een bottom-up invulling van moraliteit (Wilenmann 2019, p. 15-16).
Wilenmann 2019, p. 8, 9, 12 en 24.
Wilenmann 2019, p. 7.
Wilenmann 2019, p. 10 en 12.
Het communitarisme heeft met het liberalisme gemeen dat het vertrekt vanuit een normatieve opvatting over de wenselijke verhouding tussen gemeenschap en individu. In het communitaristische ideaaltype wordt echter de tegenstelling tussen het belang van het individu en het belang van de samenleving verworpen.1 Een maatschappij is niet ‘slechts’ een verzameling individuen, verenigd in een hypothetisch sociaal contract.2 Een maatschappij is veel meer dan een middel dat strekt tot een bepaald doel; het is eerder een doel op zichzelf of simpelweg een natuurlijk gegeven.3 Menselijke waardigheid is ook meer dan individuele vrijheid en autonomie. Mensen zijn in de communitaristische visie in de kern gemeenschapsdieren die hun identiteit, positieve vrijheden, rechten en kansen juist (mede) te danken hebben aan hun lidmaatschap van een historisch gegroeide gemeenschap.4 Binnen die gemeenschap voelen de leden zich onderling verbonden en identificeren ze zich met elkaar.5 Die identificatie kan bijvoorbeeld voortvloeien uit gedeelde normen en waarden en gemeenschappelijke belangen en bedreigingen.6 Het liberale mensbeeld van de strikt rationele, calculerende homo economicus negeert deze elementaire menselijke eigenschappen en moet volgens de communitarist daarom worden verworpen.
Gedeelde normen en waarden vormen de basis voor de regels die in een samenleving gelden en de rechten en plichten die de leden van die samenleving hebben.7 Gedeelde opvattingen over goed en fout zijn volgens bijvoorbeeld Devlin cruciaal voor het bijeenhouden van een samenleving.8 Beschermde rechtsgoederen, wetten en beginselen geven uitdrukking aan die gedeelde opvattingen, maar veranderen daardoor ook met de opvattingen van de samenleving mee en verschillen dus per tijd, plaats en cultuur.9 Waar de liberaal vooral deductief bezig is, doet de communitarist veel meer aan inductie. Vertaald naar onze hedendaagse, Nederlandse samenleving, betekent dit dat het in beginsel aan de democratische wetgever – als vertegenwoordigend orgaan van de gemeenschap – is om te bepalen welke rechten van haar leden zij beschermt.10 Het uitgangspunt is daarbij dat democratisch aangenomen wetgeving in beginsel aansluit bij de heersende opvattingen in de samenleving. Dat uitgangspunt is uiteraard wel te relativeren en in bijzondere gevallen kan dat zeker ook anders zijn, maar als algemeen uitgangspunt kan dat – zeker als het gaat om strafbaarheid in de voorfase – wel worden volgehouden. Dat een communitaristisch strafrecht soms anti-dogmatisch oogt, is het gevolg van deze inductieve, descriptieve werkwijze. Naar mate meer strafbepalingen in het wetboek staan die als uitzondering op beginselen worden gezien, brokkelt namelijk het inductieve ‘bewijs’ voor het beginsel af en komt uiteindelijk het beginsel zelf op losse schroeven te staan.11
Rechten en (rechts)beginselen zijn als gevolg van het voorgaande behoorlijk flexibel; het zijn tijdelijke overeenkomsten op basis van een belangenafweging die het resultaat is van een voortdurend proces van (her)onderhandeling en compromissen binnen een bepaalde samenleving.12 In de praktijk hoeven de uitkomsten van die onderhandelingen overigens weinig te verschillen van de liberale visie op het recht. Simpel gezegd: als een meerderheid in de samenleving achter het verstrekken van individuele, liberale vrijheidsrechten staat, hebben burgers in een communitaristisch strafrecht dezelfde rechten als in een liberaal strafrecht. Het verschil zit dan nog slechts in de herkomst van die rechten: die vloeien in de communitaristische benadering niet voort uit het mens-zijn van de burger, maar uit het gegeven dat medeburgers die rechten hebben toegekend. Dat verschil wordt op zijn beurt echter in belangrijke mate weer gerelativeerd doordat de toekenning van die rechten met de nodige procedurele waarborgen kan zijn omkleed, zoals een verhoogde meerderheid om die rechten weer in te trekken. Iets vergelijkbaars gaat op voor de (mensenrechten)verdragen waar de gemeenschap zichzelf aan heeft gebonden. Binnen een communitaristisch strafrecht berust de bescherming van fundamentele rechten dus primair op procedurele waarborgen.
Belangrijk verschilpunt blijft wel dat het strafrecht in deze visie in de kern een politiek instrument is.13 Staat en recht vallen dan min of meer samen.14 De rol van recht en wetgeving moet erin worden gezocht dat deze het voortbestaan en functioneren van de gemeenschap mogelijk maken.15 Dat is cruciaal, omdat – zoals hiervoor bleek – mensen in veel opzichten afhankelijk zijn van hun gemeenschap. Het communitaristische uitgangspunt is hier dus diametraal tegenovergesteld aan het liberale: de burger dankt zijn vrijheid aan de samenleving en heeft daarom ook slechts vrijheid voor zover de samenleving niet anders bepaalt.16 Waar de liberaal zeer wantrouwend tegenover de overheid staat, benadrukt de communitarist dat in justitiële autoriteiten juist een zekere mate van vertrouwen kan en moet worden gesteld.17 De samenleving en haar leden vormen immers een wederzijds afhankelijk geheel.18
Juist het grote belang dat moet worden gehecht aan het functioneren van de gemeenschap maakt ook dat de samenleving tegen misdadigers moet wordt beschermd.19 Een misdadiger moet vanuit communitaristisch oogpunt worden gezien als iemand die tegenover de samenleving heeft gefaald, is tekortgeschoten in zijn loyaliteit aan de gemeenschap en gevaarlijk is.20 Een strafbaar feit staat in de communitaristische visie in wezen gelijk aan ongehoorzaamheid aan een beslissing van de gemeenschap en toont dus de bereidheid om tegen de wil van de samenleving in te gaan.21 In plaats van bescherming tégen de overheid, komt zo de bescherming van de samenleving dóór de overheid centraal te staan.22 Het slachtoffer van het strafbare feit is in deze visie daarom niet (enkel) de individuele benadeelde partij, maar vooral ook de staat en de samenleving als geheel.23 Door de delinquent te straffen, wordt niet alleen de geschonden norm bevestigd, maar wordt tevens de onderlinge gemeenschappelijke identiteit en eenheid van de overige, rechtschapen leden van de samenleving versterkt.24 Op die manier gaan vergelding, preventie en gemeenschapsvorming hand in hand.
Deze benadering leidt er wel toe dat het geldende recht niet eenvoudig kan worden bekritiseerd.25 Anders dan de liberaal gelooft de communitarist namelijk niet in universele, materiële criteria waaraan het positieve recht kan worden getoetst. Er bestaan geen bovenwettelijke, natuurlijke, vaststaande rechten en beginselen van onduidelijke afkomst.26 Rechtsbeginselen hebben in de hier geschetste communitaristische visie vooral een descriptieve functie. Omdat mensen tegenstrijdige belangen kunnen nastreven, kunnen ook beginselen in de communitaristische visie in tegengestelde richtingen wijzen.27 In dergelijk gevallen moet een belangenafweging worden gemaakt en als oude paradigma’s niet meer met de moderne werkelijkheid te verenigen zijn, moet daar niet star aan worden vastgehouden, maar moet het beginsel aan de nieuwe werkelijkheid worden aangepast.28 Een beginsel geldt immers niet uit noodzaak of van nature, maar berust op een keuze van de samenleving tot zelfbeperking.29 In die zin heeft Nan gelijk dat het de aanvaarding van een rechtsbeginsel is die maakt dat het beginsel tot het geldende recht behoort.30 Deze benadering past uiteraard minder goed bij de syllogistische visie van Ferrajoli en sluit beter aan bij de organische visie op de verhouding tussen rechtsbeginselen (zie §1.2.1).
Een communitarist neigt als gevolg van het voorgaande ook naar een meer descriptieve, legistisch aandoende benadering van het positieve recht.31 Democratisch aangenomen wetgeving weerspiegelt voor een communitarist immers in beginsel de heersende opvattingen in de samenleving en wordt reeds daardoor (formeel) gerechtvaardigd.32 In een democratische samenleving kleeft immers een zekere zelfstandige normatieve lading aan het gegeven dat een meerderheid achter een bepaalde strafbaarstelling staat.33 De rechtvaardiging van de regel is dan niet afhankelijk van de inhoud van de regel, maar van de uitvaardigende instantie.34 Het communitarisme in de vorm waarin ik dat hier schetst heeft daarbij wel de vox dei door de vox populi vervangen en zo het belang van de samenleving en de wil van de samenleving aan elkaar gelijkgesteld.35 Dat past in een ontwikkeling die in de loop van de 19e eeuw is ingezet, waarin de wet steeds meer als democratisch machtswoord wordt gezien.36
De hiervoor beschreven liberale benadering is dus meer materieel van aard, terwijl de communitaristische benadering meer formeel en procedureel van aard is. Democratische legitimatie speelt daarin een zeer centrale rol, waardoor het risico ontstaat dat het liberale idee dat overheidsmacht inhoudelijk aan banden moet worden gelegd naar de achtergrond verschuift.37 Deze meer formele benadering heeft echter als groot voordeel dat het daarin niet nodig is over ingewikkelde normatieve vraagstukken inhoudelijk consensus te bereiken, zolang er maar overeenstemming bestaat over de procedure om tot een beslissing te komen.38 De democratische wetgever stelt zo uiteindelijk zelf de grenzen van haar macht vast: zij geldt als staatsmacht die daarover het laatste woord heeft.39 Rechtsstaat en democratie vormen dan samen één geheel: de democratisch rechtsstaat. In deze interpretatie van de rechtsstaat en de machtenscheiding heeft de democratische wetgever in beginsel de exclusieve wetgevende macht en is rechtsvorming door de rechter problematisch.40 De rechter moet strikt worden gebonden aan de democratische wet en mag daarvan noch ten voordele noch ten nadele van de verdachte afwijken.41 Vergeleken met het liberale strafrecht, biedt een communitaristisch strafrecht daarom in theorie meer bescherming tegen ongelijke bestraffing door de rechter.42 Tegen de macht en potentiële willekeur van de democratische wetgever bestaan daarentegen minder waarborgen.43
Daarnaast is het communitaristische uitgangspunt ten aanzien van de wenselijkheid van de inzet van het strafrecht veel minder negatief dan in de liberale benadering. Er zijn juist veel situaties waarin het strafrecht moet worden ingezet, omdat de samenleving het eenvoudigweg niet zou accepteren – en mogelijk zelfs tot eigenrichting over zou gaan – als bepaalde daden niet strafbaar zouden zijn.44 Bovendien is er binnen het communitaristische ideaaltype veel meer ruimte voor het inzicht dat het strafrecht (mede) een symbolisch en expressief instrument is.45 Het strafrecht kan bij uitstek de morele opvattingen in de samenleving naar de buitenwereld communiceren en afdwingbaar maken, de daadkracht van de samenleving demonstreren en conflicten tussen groepen binnen de samenleving bezweren en sussen.46 Het proces van strafbaarstelling is in zekere zin zelf ook symbolisch; het is een soort ritueel dat beoogt fragmentatie aan morele opvattingen te verminderen en de banden in de samenleving te bevestigen en versterken door bepaalde waarden te omarmen of juist af te stoten.47 Achter wat door liberalen doorgaans neerbuigend symboolwetgeving wordt genoemd, gaan regelmatig juist zeer principiële en emotionele morele discussies schuil.48 In moderne, pluralistische samenlevingen moet dergelijke wetgeving niet te eenvoudig en kortzichtig als illegitiem en onwenselijk worden neergezet.49