Einde inhoudsopgave
Scheiding van zeggenschap en belang in de familiesfeer (FM nr. 162) 2020/7.7.3.2.1
7.7.3.2.1 Blokkeringsregelingen
Mr. dr. A.E. de Leeuw, datum 29-02-2020
- Datum
29-02-2020
- Auteur
Mr. dr. A.E. de Leeuw
- JCDI
JCDI:ADS232884:1
- Vakgebied(en)
Vermogensbelasting (V)
Schenk- en erfbelasting / Algemeen
Voetnoten
Voetnoten
Asser/Van Olffen & Rensen 2-IIa, 2019/382.
Zie ook rechtbank Den Haag 29 augustus 2018, ECLI:NL:RBDHA:2018:10212 rechtsoverweging 4.28 e.v. Overigens achtte de rechtbank in dit geval bekrachtiging mogelijk.
Zie voor een beschrijving van de regeling bij besloten en naamloze vennootschappen Asser/Van Olffen & Rensen 2-IIa, 2019/384 e.v.
Dit kan het bestuur zijn, maar ook een vergadering van certificaathouders. De mate waarin men de zeggenschap van de certificaathouders wenst te beperken, bepaalt welke variant men kiest.
Artikel 6:161 BW. Evenzo Van den Ingh, dissertatie 1991, pagina 130.
Zie nader paragraaf 7.14.4.
Eventueel nog te combineren met een mechanisme dat de vrijvallende waarde ten goede laat komen aan de achterblijvende certificaathouders, om het afschrikeffect nog wat te vergroten.
Zie nader paragraaf 7.14.3.
Een blokkeringsregeling roept in eerste instantie associaties op met aandelen, aangezien deze bij besloten vennootschappen gangbaar is en ook tot de invoering van de Flex-BV per 1 oktober 2012 verplicht was.1 Een vergelijkbare regeling kan echter ook worden toegepast bij certificaten, om te bewerkstelligen dat deze niet vervreemd worden aan personen die, gezien het doel van de certificering, als certificaathouder niet gewenst zijn, zonder dat de overdraagbaarheid van de certificaten volledig uitgesloten behoeft te worden. Een belangrijk verschil met een blokkeringsregeling bij een besloten vennootschap, is dat de regeling zich in dat geval slechts richt op het voorkomen van toetreding van aandeelhouders die de zittende aandeelhouders onwelgevallig zijn. Bij certificering kan de blokkeringsregeling deze functie ook hebben, maar daarnaast is de vraag in hoeverre de regeling (zelfstandig) kan verhinderen dat de certificaathouders uittreden, zeker indien zij dit alle of in meerderheid zouden willen. Daarnaast heeft een in de administratievoorwaarden opgenomen blokkeringsregeling goederenrechtelijke werking.2
Blokkeringsregelingen komen in twee basisvarianten voor, een aanbiedingsregeling en een goedkeuringsregeling.3 De essentie van een aanbiedingsregeling is dat de certificaathouder zijn certificaten eerst zal moeten aanbieden aan zijn medecertificaathouders. Eventueel kan sprake zijn van een mogelijkheid voor de STAK om andere (derde)gegadigden aan te wijzen. Pas indien deze andere certificaathouders c.q. gegadigden niet of niet volledig bereid zijn om de aangeboden certificaten over te nemen, staat het de aanbiedende certificaathouder vrij om (gedurende een bepaalde periode) aan een derde te vervreemden. De goedkeuringsregeling houdt in de kern in dat een partij, bijvoorbeeld een orgaan van de STAK,4 goedkeuring moet verlenen voor de vervreemding van de certificaten. Indien deze goedkeuring geweigerd wordt, kan voorzien zijn in de mogelijkheid dat het desbetreffende orgaan één of meer gegadigden aanwijst die bereid zijn tot overname van de certificaten. Slechts indien geen sprake is van een dergelijke aanwijzing wordt de goedkeuring geacht te zijn verleend en kan de aanbiedende certificaathouder vervreemden aan zijn “eigen” koper. Beide basisvarianten kunnen op meerdere wijzen worden ingevuld, bijvoorbeeld met een “vrije kring” waarbinnen zonder aanbiedingsplicht of goedkeuring kan worden overgedragen of een bepaling inzake de waardering van de certificaten voor het geval van aanbieding aan de andere certificaathouders of door de STAK aangewezen gegadigden. Zeker de laatste bepaling lijkt mij ter voorkoming van geschillen sterk aan te bevelen. Aangezien er geen wettelijke regeling is voor blokkeringsregelingen bij certificering, bestaat er een grote mate van vrijheid om deze zelf in te vullen. In de onderhavige context beperk ik mij evenwel tot de genoemde basisvarianten.
Indien het doel van de certificering is om een duurzame scheiding tussen zeggenschap en economisch belang te bewerkstellingen, zodat de blokkeringsregeling mogelijk ook kan dienen om uittreding door de certificaathouders te voorkomen, hebben beide varianten hun voor- en nadelen. Voor de aanbiedingsregeling spreekt dat deze in de hand werkt dat de certificaten binnen de groep van bestaande certificaathouders blijven. Deze regeling is echter ook in zekere mate vatbaar voor manipulatie door de certificaathouders: door alle de aangeboden certificaten te weigeren, kunnen zij bereiken dat dat de aanbiedende certificaathouder vrijelijk kan vervreemden. Een mogelijkheid voor (het bestuur van) de STAK om zelf alternatieve gegadigden aan te wijzen kan daarvoor een oplossing bieden, mits dergelijke gegadigden redelijkerwijs gevonden kunnen worden. Een denkbaar alternatief is dat de STAK zelf als verkrijger optreedt (zie evenwel nader hierna).
Dit laatste aspect is tevens de zwakte van een goedkeuringsregeling: hoewel deze de STAK ogenschijnlijk meer invloed biedt, omdat zij de goedkeuring al dan niet kan verlenen, rust op haar dan de taak om ook een alternatieve gegadigde te vinden. Bij een restrictief geformuleerd doel van de certificering, althans een kleine groep wenselijke certificaathouders, is de vraag of een dergelijke gegadigde redelijkerwijs te vinden is. Wellicht zou de STAK zelf in voorkomend geval als verkrijger kunnen optreden, maar dit heeft een aantal bezwaren:
Aangezien de STAK zelf geen vermogen heeft, zou zij de koopsom voor de certificaten moeten lenen. Tenzij de waardering van de certificaten erg gunstig (dat wil zeggen: laag) is ten opzichte van de waarde van het gecertificeerde vermogen, brengt dit onwenselijke risico’s met zich voor de andere certificaathouders.
Als de STAK zelf rechthebbende wordt op het certificaat, wordt zij schuldeiser van zichzelf. Dat betekent dat de desbetreffende certificaten door vermenging tenietgaan.5 Dit impliceert bij een waardering van de certificaten onder de marktwaarde van de gecertificeerde goederen, dat er vermogen bij de STAK komt.
In het hypothetische geval dat alle certificaathouders op deze wijze hun certificaten aan de STAK zouden vervreemden, komt het gecertificeerde vermogen in beginsel in de dode hand. Dit kan weliswaar ondervangen worden door een bepaling dat de STAK in dat geval haar vermogen zou mogen liquideren en besteden aan een goed doel, maar het eigenlijke doel van de certificering is daar vanzelfsprekend niet mee gediend.
Derhalve lijkt mij dit geen begaanbare route om de certificaten in de gewenste handen te houden, hetgeen uiteindelijk het doel van een blokkeringsregeling is. Om de effectiviteit van de blokkeringsregeling te vergroten, zijn twee aanvullende regelingen denkbaar:
Kwaliteitseisen, als gevolg waarvan de kring van potentiële gegadigden (sterk) beperkt kan worden, tot bijvoorbeeld uitsluitend bepaalde familieleden van de insteller. Men kan zich zelfs de vraag stellen in hoeverre een blokkeringsregeling nog van toegevoegde waarde is naast een goed geformuleerde kwaliteitseis, mede in aanmerking nemend dat die kwaliteitseis in dit geval goederenrechtelijke werking heeft.
Een regeling voor de waardering van de certificaten in het geval van overdracht aan een door de STAK aangewezen gegadigde. Afhankelijk van de factoren waarmee rekening gehouden wordt, kan de uitkomst van deze berekening ertoe leiden dat de waarde van de certificaten (significant) lager is dan de waarde in het economische verkeer van de gecertificeerde goederen waar deze certificaten een aanspraak op geven. Zeker bij niet-royeerbare certificaten kan een dergelijk waardeverschil bovendien reëel zijn.6 Het risico bestaat echter dat de waardebepalingsclausule, al dan niet terecht, gezien wordt als een soort van boetebepaling die ongewenste vervreemding van de certificaten bestraft.7 De wenselijkheid van een dergelijke “straf” is mijns inziens te betwijfelen en het lijkt mij ook de vraag in hoeverre dit, althans in combinatie met andere beperkende maatregelen zoals volledige niet-royeerbaarheid van de certificaten, nog als aanvaardbaar kan worden beschouwd, aangezien betoogd kan worden dat de verkrijger van dergelijke certificaten in feite weinig of niets in handen krijgt.8
Om op evenwichtige wijze een duurzame scheiding tussen zeggenschap en economisch belang te bereiken, dat wil zeggen op een wijze die ook recht doet aan de belangen van de certificaathouders, zou men zich mijns inziens moeten beperken tot een neutraal uitwerkende blokkeringsregeling, al dan niet in combinatie met kwaliteitseisen aan de certificaathouders. Met “neutraal uitwerkend” doel ik hier met name ook op een waarderingsclausule die enerzijds rekening houdt met de aan een certificaat verbonden beperkingen, maar anderzijds de belangen van de certificaathouder niet uit het oog verliest. De facto zal overigens naar mijn mening bijvoorbeeld een beperking in de royeerbaarheid van de certificaten of een bevoegdheid van de STAK om inkomsten niet uit te keren, maar te herinvesteren, vanzelf ook als een soort blokkeringsregeling uitwerken, omdat dit de groep derden die bereid zal zijn om dergelijke certificaten te kopen, althans voor een prijs die enigszins in de buurt ligt van de waarde van het gecertificeerde vermogen, aanzienlijk zal beperken.