Einde inhoudsopgave
Gewogen rechtsmacht in het IPR (R&P nr. 148) 2006/3.5.6
3.5.6 De verstrekkende rechtsmacht van art. 3 sub a Rv
mr. F. Ibili, datum 28-11-2006
- Datum
28-11-2006
- Auteur
mr. F. Ibili
- JCDI
JCDI:ADS430541:1
- Vakgebied(en)
Internationaal privaatrecht (V)
Voetnoten
Voetnoten
H. van Houtte, NIPR-Speciale aflevering 1994, p. 74; L. Strikwerda, 'Drie fora: forum actoris, forum necessitatis en forum non conveniens', NIPR-Speciale aflevering 1996, p. 97; P. Vlas & F. WPNR (2003) 6527, p. 316; A.P.M.J. Vonken, NIPR 2004, p. 137. Zie ook Kamerstukken/ 2000/01, 26 855, nr. 250a, p. 8-9 (Voorlopig Verslag).
Een vergelijkbare casus is te vinden in Rb. Arnhem 15 februari 1973, NJ 1973, 349, besproken in par. 2.6.5.
Mostermans (1999), p. 80-81.
Zie voor een vergelijkbare casus onder 'oud' procesrecht HR 20 januari 1984, NJ 1984, 751 (JCS), besproken in par. 2.6.4.
Hetzelfde geldt voor het bij de Nederlandse rechter ingestelde verzoek tot ontbinding van een agentuurovereenkomst (art. 7:440 BW).
Art. 19 lid 1 EEX-Vo staat alleen toe dat de werknemer een vordering tegen zijn werkgever instelt bij de rechter van de woonplaats van laatstgenoemde.
BR 15 oktober 1993, NJ 1994, 8.
Burgerlijke Rechtsvordering, Schaafsma-Beversluis, art. 278 Rv, aant. 5a.
In het algemeen biedt art. 3 sub a Rv in personen- en familierechtelijke zaken een stabiele basis voor de rechtsmacht. De aanknopingsfactoren woonplaats of gewone verblijfplaats van de verzoeker of belanghebbende in Nederland rechtvaardigen in veel gevallen de uitoefening van rechtsmacht door de Nederlandse rechter. Er bestaat dan geen behoefte aan een forum non conveniens-correctie. Er laten zich echter ook gevallen bedenken waarin de aanknopingsfactoren uit art. 3 sub a Rv een te magere basis voor de rechtsmacht opleveren. Dit kan dan tot gevolg hebben dat rechtsmacht te verstrekkend is, en de Nederlandse rechter een 'bemoeizuchtig' forum wordt.1 Dat geldt met name voor het forum actoris, dat wil zeggen de bevoegdheid die is gebaseerd op de woonplaats of gewone verblijfplaats van de verzoeker. Het risico bestaat dat een op basis van forum actoris gegeven Nederlandse beslissing in het buitenland niet wordt erkend. Ten onrechte, zo meen ik, ontbreekt in art. 3 sub a Rv de mogelijkheid om de verstrekkende rechtsmacht van de Nederlandse rechter te corrigeren. Ik geef een aantal voorbeelden waarin de bepaling ongelukkig kan uitwerken.
Wat te denken van het geval waarin de in Nederland woonachtige verzoeker ondercuratelestelling verzoekt van zijn oom in Frankrijk, terwijl zijn oom geen enkele binding heeft (gehad) met de rechtssfeer van Nederland?2 Of de in België wonende verzoeker die beëindiging van de curatele verzoekt van een in België verblijvend familielid, wiens enige band met Nederland bestaat uit zijn afhankelijke woonplaats (art. 1:12 lid 1 BW)? Of het geval dat de in België wonende verzoeker ondercuratelestelling verzoekt van zijn in Duitsland wonende echtgenote, terwijl de enige binding met Nederland bestaat uit de woonplaats van een belanghebbende (bijvoorbeeld de dochter) hier te lande. Art. 3 sub a Rv draagt de Nederlandse rechter in de genoemde voorbeelden rechtsmacht op, terwijl naar mijn mening duidelijk is dat hij geen rechtsmacht behoort te hebben; de Nederlandse woonplaats van de verzoeker, curator of belanghebbende is ontoereikend voor de uitoefening van rechtsmacht.3
Art. 3 sub a Rv kan de Nederlandse rechter tot een bemoeizuchtig forum maken in het verzoek tot een gerechtelijke verklaring van het rechtsvermoeden van overlijden van een vermiste (art. 1:413 BW). Art. 3 sub a Rv levert voor de Nederlandse rechter rechtsmacht op, indien een daartoe strekkend verzoekschrift wordt ingesteld door een belanghebbende in Nederland ten aanzien van een vreemdeling die in het buitenland is vermist en verder geen enkele band heeft (gehad) met Nederland.4Is de rechtsmacht in dat geval niet te verstrekkend? Ik zou menen van wel; een verzoek tot gerechtelijke verklaring van het rechtsvermoeden van overlijden hoort, in dit geval, thuis bij de rechter van de staat waarvan de vermiste de nationaliteit heeft of van de staat waar hij tot aan zijn vermissing gewoon verblijf heeft gehad.5
Ook in vermogensrechtelijke zaken kan het forum actoris tot exorbitante rechtsmacht van de Nederlandse rechter leiden. Dat geldt bijvoorbeeld voor het arbeidsrecht. Stel dat een Nederlandse werkgever een arbeidsrelatie heeft met een Amerikaanse werknemer die in New York uitvoering geeft aan deze arbeidsverhouding. Wanneer de Nederlandse werkgever overweegt om de arbeidsrelatie tussen partijen door tussenkomst van de rechter te verbreken, vindt hij krachtens art. 3 sub a Rv een bevoegde rechter in Nederland.6 De ontbinding zal op basis van art. 7:685 BW bij verzoekschrift moeten worden ingeleid. Dit kan toch niet de bedoeling van de Nederlandse wetgever zijn geweest? Internationaal bezien wordt de aanknoping bij de woonplaats van de werkgever in arbeidszaken als hoogst exorbitant beschouwd.7 Heeft de Nederlandse wetgever niet als uitgangspunt genomen om het commune recht zo veel mogelijk in de pas te laten lopen met internationale ontwikkelingen?
Ten slotte noem ik de procedures tot verklaring voor recht in zaken van personen-en familierecht alsmede in zaken van vermogensrecht. Een verklaring voor recht kan slechts worden uitgesproken op vordering van een bij een bepaalde rechtsverhouding onmiddellijk betrokkene en kan alleen dienen tot het jegens de andere betrokkenen op bindende wijze vaststellen van haar bestaan of het preciseren van haar inhoud.8 Aangenomen wordt dat een verklaring voor recht in verzoekschriftprocedures in beginsel mogelijk is, tenzij de wet of het systeem van de wet zich daartegen verzet.9 Dit heeft tot gevolg dat een verzoeker die in Nederland zijn woonplaats of gewone verblijfplaats heeft, op basis van art. 3 sub a Rv aan de Nederlandse rechter een verklaring voor recht kan vragen met betrekking tot een rechtsverhouding die geheel in de buitenlandse rechtssfeer ligt of die slechts een geringe binding met Nederland heeft. Is dit niet een al te exorbitante bevoegdheid?