Einde inhoudsopgave
Wilsdelegatie in het erfrecht (Publicaties vanwege het Centrum voor Notarieel Recht) 2014/6.4.3
III.6.4.3 Geen strijd met het wezen van de verbintenis
mr. N.V.C.E. Bauduin, datum 09-09-2014
- Datum
09-09-2014
- Auteur
mr. N.V.C.E. Bauduin
- JCDI
JCDI:ADS624628:1
- Vakgebied(en)
Erfrecht (V)
Voetnoten
Voetnoten
Asser/Hartkamp & Sieburgh 2012 (6-I), nr. 175. Zie ook Asser/Rutten-I 1981, p. 134. Een potestatieve voorwaarde is dus eigenlijk geen echte voorwaarde. Zie ook de Conclusie van AG mr. Moltmaker bij HR 17 januari 1996, ECLI:NL:HR:1996:BI5402, BNB 1996/112.
In zoverre is de term potestatieve voorwaarde overigens verwarrend. Als er geen verbintenis is, kan er ook geen sprake zijn van een voorwaardelijke verbintenis. Dat kan bij de zogenoemde ontbindende potestatieve voorwaarde daarentegen wel. In dat geval is de verbintenis immers wel tot stand gekomen, maar heeft zij een voorwaardelijk karakter. Het hangt af van de wil van degene die verbonden is of de verbintenis al dan niet vervalt. Vgl. in dit kader ook Marres 1993, p. 455 die opmerkt dat een ontbindende potestatieve voorwaarde een contradictio in terminis is, omdat de potestatieve voorwaarde juist voorkomt dat er een verbintenis ontstaat. De zogenoemde ontbindende potestatieve voorwaarde, zou mijns inziens dan ook beter kunnen worden geduid als een ontbindende voorwaarde met een zuiver wilsafhankelijk element.
Zie ook Asser/Hartkamp & Sieburgh 2012 (6-I), nr. 175.
Asser/Hartkamp & Sieburgh 2012 (6-I), nr. 176.
Kamerstukken II 2000/01, 17213, 6, p. 7 (Nota). Zie ook Van Straaten 2005, p. 21.
Asser/Hartkamp & Sieburgh 2012 (6-I), nr. 176.
Asser/Hartkamp & Sieburgh 2012 (6-I), nr. 176.
Van Quickenborne 2006, p. 72.
Art. 1292 oud BW is thans niet teruggekeerd in de wet, omdat:
‘Mijn door u aangenomen belofte om iets te geven ‘indien ik wil’, doet geen verbintenis, ook geen voorwaardelijke verbintenis, geboren worden, omdat ik door de toevoeging juist verklaar mij thans niet te verbinden. Een bepaling hieromtrent is, als overbodig, niet in het huidige wetboek opgenomen; vergelijk Parl. Gesch. Boek 6, p. 146-147.’1
Het verbod van de potestatieve voorwaarde werd dus overbodig geacht. Maar nog steeds geldt dat een verbintenis waarvan het ontstaan afhankelijk is van een (zuiver) potestatieve voorwaarde nietig is. Een dergelijke verbintenis is immers nog geen verbintenis.2 Het gaat er anders gezegd om dat een voorwaarde niet in strijd mag zijn met het wezen van de verbintenis.3
Onder ‘potestatieve voorwaarde’ wordt, evenals hiervoor met betrekking tot het oude BW door mij werd opgemerkt, verstaan de opschortende potestatieve voorwaarde, zoals ‘indien ik wil’. Een verbintenis onder ontbindende potestatieve voorwaarde, zoals ‘tenzij ik niet wil’, roept in beginsel immers wel een verbintenis in het leven. Deze verbintenis kan echter vervolgens naar eigen willekeur door de schuldenaar teniet worden gedaan.4 Een sprekend voorbeeld hiervan is de herroepelijke schenking: ik schenk, tenzij ik herroep (tenzij ik niet meer wil). De zogenoemde ontbindende potestatieve voorwaarde lijkt in het gehele vermogensrecht te zijn toegestaan.5 Wanneer ik spreek van de potestatieve voorwaarde doel ik dan ook steeds op de opschortende potestatieve voorwaarde, tenzij ik dit anders aangeef.
Hartkamp & Sieburgh geven overigens aan dat de vraag of de vervulling van de voorwaarde van de enkele wil van de schuldenaar afhangt (en zodoende potestatief is), slechts van belang is voor de eenzijdige overeenkomst en niet voor de wederkerige overeenkomst of voor bedingen die daarvan een onderdeel uitmaken.6 Zij lichten dit toe met de opmerking dat:
‘Indien A en B afspreken dat A een zaak voor een bepaalde prijs aan B zal verkopen voor het geval B verklaart haar te willen hebben, kan B door die enkele verklaring de koopovereenkomst tot stand brengen.’7
Zie in dit kader ook Van Quickenborne die opmerkt:
‘Wanneer de schuldenaar derhalve, dankzij de potestativiteit van de voorwaarde, aan zijn verbintenis poogt te ontsnappen, verliest hij meteen het voordeel van de prestatie van zijn wederpartij. Het niet-nakomen van zijn eigen verbintenis heeft (bijna) steeds het uitblijven van de wederprestatie tot gevolg, en is, juist daarom, niet vrijblijvend, en betekent steeds een ‘offer’. Elke wederkerige overeenkomst bevat dus uit zichzelf, structureel, een rem tegen de loutere potestativiteit.’8
Een voorbeeld van een eenzijdige overeenkomst is de zojuist genoemde schenking, die, zoals ik in paragraaf 2.4 al aangaf, een sterke gelijkenis vertoont met het legaat. Om een indruk te geven van de betekenis van de potestatieve voorwaarde in het verbintenissenrecht, ga ik hierna kort in op de vraag in hoeverre het mogelijk is om de werking van een schenking afhankelijk te maken van wilsafhankelijke voorwaarden?