Privaatrechtelijke handhaving van mededingingsrecht
Einde inhoudsopgave
Privaatrechtelijke handhaving van mededingingsrecht (R&P nr. 174) 2009/6.2.5:6.2.5 Europees mededingingsrecht wordt niet toegepast wegens een fatale termijnoverschrijding volgens nationaal procesrecht
Privaatrechtelijke handhaving van mededingingsrecht (R&P nr. 174) 2009/6.2.5
6.2.5 Europees mededingingsrecht wordt niet toegepast wegens een fatale termijnoverschrijding volgens nationaal procesrecht
Documentgegevens:
mr.dr. E.J. Zippro, datum 29-09-2009
- Datum
29-09-2009
- Auteur
mr.dr. E.J. Zippro
- JCDI
JCDI:ADS577553:1
- Vakgebied(en)
Mededingingsrecht / Toezicht en handhaving
Verbintenissenrecht / Schadevergoeding
Toon alle voetnoten
Voetnoten
Voetnoten
A-G Bakels in § 3.9 van zijn conclusie bij HR 25 februari 2000, NJ 2000, 340 (Eco Swiss/ Benetton).
Zie over het gezag van gewijsde en de onderhavige problematiek onder meer Beukers 1994, p. 91; Gras 1994, p. 279 e.v.
Deze functie is alleen te gebruiken als je bent ingelogd.
Benetton behaalt uiteindelijk toch geen bevredigend resultaat. De vordering tot vernietiging van het eerste arbitraal vonnis (het PFA-1325) is namelijk niet tijdig ingesteld. Het betreft in casu deels een eindvonnis nu in het dictum een einde is gemaakt aan enig gedeelte van het gevorderde. Voor het instellen van een rechtsmiddel geldt een termijn van drie maanden (zie artikel 1064 lid 3 Rv). Die termijn begon reeds te lopen bij de nederlegging ter griffie van het gedeeltelijk arbitraal eindvonnis (het PFA-1325) en niet, zoals door Benetton bepleit, bij het uiteindelijk arbitraal eindvonnis (het FAA-1325). Het gedeeltelijk arbitraal eindvonnis heeft daarom, inclusief de daarin opgenomen eindbeslissingen, ex artikel 1059 Rv gezag van gewijsde gekregen. Valt aan de termijnoverschrijding nog iets te doen? Benetton voert aan dat bij strijd met artikel 81 EG tevens buiten toepassing moet blijven de regel dat een arbitraal tussenvonnis met het karakter van een eindvonnis waartegen niet tijdig een vordering tot vernietiging wordt ingesteld, gezag van gewijsde krijgt.
Volgens het HvJ EG (r.o. 47)
'(...) dwingt het gemeenschapsrecht de nationale rechter niet dergelijke regels buiten toepassing te laten, ook niet indien dit nodig is om in de procedure tot vernietiging van een arbitraal vonnis te laten onderzoeken, of een overeenkomst die in het arbitrale tussenvonnis rechtsgeldig is verklaard, wellicht toch nietig is wegens strijd met art. 81 EG.'
Van een overwinning voor Benetton kan dan ook niet gesproken worden. Deze uitkomst wordt door A-G Bakels in zijn conclusie bij HR 25 februari 2000, NJ 2000, 340(Eco Swiss/Benetton) onderschreven, onder verwijzing naar de literatuur. In de literatuur wordt met name aangevoerd
'(...) dat als het een partij vrij zou staan in een geding dat op een eerdere uitspraak voortbouwt, alsnog verweren aan te voeren die haar ook in de eerste procedure ter beschikking stonden, maar toen achterwege zijn gebleven, (a) de omvang van het gezag van gewijsde aanmerkelijk zou worden beperkt ten opzichte van hetgeen algemeen wordt aangenomen, (b) in ernstige mate afbreuk zou worden gedaan aan het beginsel van concentratie van verweer en (c) een dergelijke regel de mogelijkheid tot chicanes zou bieden'1
Dit zijn steekhoudende argumenten om in Eco Swiss/Benetton uiteindelijk tot de beslissing te komen dat het gedeeltelijk arbitraal eindvonnis, inclusief de daarin opgenomen eindbeslissingen, ex artikel 1059 Rv gezag van gewijsde heeft gekregen.2