Einde inhoudsopgave
Omzetting van rechtspersonen (FM nr. 129) 2008/3.5.4.3
3.5.4.3 Bezwaar en beroep
Dr. J.L. van de Streek, datum 01-09-2008
- Datum
01-09-2008
- Auteur
Dr. J.L. van de Streek
- JCDI
JCDI:ADS495206:1
- Vakgebied(en)
Onbekend (V)
Vennootschapsbelasting (V)
Vennootschapsbelasting / Omzettingsregeling
Ondernemingsrecht / Rechtspersonenrecht
Voetnoten
Voetnoten
De mogelijkheid tot bezwaar en beroep tegen de beslissing die is genomen naar aanleiding van een verzoek ex art. 28a lid 3 Wet VPB 1969, is ingevoerd bij wet van 20 december 1996, Wet tot ‘wijziging van de Algemene wet inzake rijksbelastingen en van enkele andere fiscale wetten in verband met de openstelling van bezwaar en beroep tegen een aantal fiscale beschikkingen’, Stb. 1996, 659.
Deze aansluiting is expliciet verwoord in Kamerstukken II 1997/98, 25 709, nr. 5, p. 14 en is vervolgens opgenomen in het Besluit van de Staatssecretaris van Financiën van 19 december 2000, nr. CPP2000/2683, V-N 2001/8.2, onderdeel 1.4 (met betrekking tot de juridische afsplitsing) en het Besluit van de Staatssecretaris van Financiën van 25 februari 2002, nr. CPP2002/158M, V-N 2002/14.20, onderdeel 1.4 (met betrekking tot de juridische fusie).
Vgl. art. 4:14 lid 3 AWB.
Zie M.W.C. Feteris, ‘Ruimere toegang tot de fiscale bezwaar- en beroepsprocedure’, WFR 1996, 1827, R.J. de Vries, Juridische fusie (FM nr. 84), Deventer: Kluwer 1998, p. 169-170 en Ch. Langereis in zijn noot bij HR 30 augustus 1996, nr. 31.113, BNB 1997/41. Zie ook R.J. de Vries & R.P.C.W.M. Brandsma, Splitsing (FED Fiscale Brochure), Deventer: Kluwer 2001, p. 187.
De inspecteur beslist op het verzoek bij voor bezwaar vatbare beschikking.1 In het Besluit van 9 maart 2006, nr. CPP2005/2571M, BNB 2006/146 noemt de Staatssecretaris van Financiën géén termijn waarbinnen de inspecteur de beschikking in beginsel dient af te geven. Dat betekent dat de inspecteur op grond van art. 5a AWR 1959 er maximaal een jaar over mag doen. Ik vraag mij echter af waarom niet – evenals met betrekking tot de afdoening van verzoeken om fiscale begeleiding van een juridische fusie of splitsing ex art. 14a lid 3 Wet VPB 1969 respectievelijk art. 14b lid 3 Wet VPB 1969 – wordt aangesloten bij hoofdstuk 4 van de AWB.2 Op grond van art. 4:13 AWB geldt dan een ‘redelijke termijn’, die in elk geval voorbij is acht weken na ontvangst van het verzoek. Indien de inspecteur niet binnen deze termijn het verzoek kan afdoen, bijvoorbeeld omdat het verzoek is doorgestuurd naar het ministerie van Financiën en nog geen bericht terug is ontvangen, dient de inspecteur dit mee te delen en een zo kort mogelijke termijn te noemen waarbinnen de beschikking wel tegemoet kan worden gezien.3
Een eenmaal door de inspecteur afgegeven beschikking staat onherroepelijk vast indien door belanghebbenden, waaronder in dit verband dient te worden begrepen de omzettende rechtspersoon en de deelgerechtigden, niet binnen zes weken in bezwaar wordt gekomen.4 De vraag rijst in hoeverre nog over de in een onherroepelijk vaststaande beschikking opgenomen standaardvoorwaarden kan worden geklaagd. De Staatssecretaris van Financiën heeft in het kader van de openstelling van de mogelijkheid tot bezwaar en beroep tegen een beschikking ex art. 28a lid 3 Wet VPB 1969 hierover het volgende opgemerkt:5
‘Voorgesteld wordt om de inspecteur bij voor bezwaar vatbare beschikking te laten beslissen met betrekking tot een aantal beslissingen in de inkomsten-, vennootschaps- en dividendbelasting. Het gaat om de (...) de omzetting van bepaalde rechtspersonen (...). Bij de (...) omzetting van bepaalde rechtspersonen gaat het om beslissingen die een zelfstandig karakter bezitten. Daarbij is voor de belastingplichtige van belang dat in een vroeg stadium duidelijkheid bestaat over de fiscale gevolgen van de desbetreffende handeling. Daartoe wordt bepaald dat de inspecteur op het verzoek beslist bij voor bezwaar vatbare beschikking. Bij de beschikking kunnen voorwaarden worden gesteld. Volgens het voorliggende wetsvoorstel kan een belastingplichtige daardoor ook bezwaar en beroep aantekenen tegen die in de beschikking opgenomen voorwaarden. De rechtszekerheid brengt echter met zich mee dat, als de beschikking onherroepelijk vast komt te staan, daarmee rechtens de juistheid van de beschikking en de daarin opgenomen voorwaarden vaststaat. In een later stadium kunnen de elementen van een aanslag die zijn terug te voeren op een in het verleden gegeven beschikking of gedane uitspraak dan ook – in het belang van de rechtszekerheid voor zowel de belastingplichtige als voor de inspecteur – in een procedure niet meer (opnieuw) aan de orde worden gesteld.’
In de literatuur wordt deze passage zo uitgelegd dat slechts de rechtsgeldigheid van de gestelde voorwaarden niet op een later moment, bijvoorbeeld in het kader van de aanslagregeling, ter discussie kan worden gesteld.6 Een verschil van mening met de fiscus over de uitleg van de gestelde voorwaarden kan na het onherroepelijk komen vast te staan van de beschikking wél aan de rechter worden voorgelegd.