De (bijzondere) positie van onteigenings- en nadeelcompensatiedeskundigen
Einde inhoudsopgave
De (bijzondere) positie van onteigenings- en nadeelcompensatiedeskundigen (SteR nr. 58) 2023/2.2.4:2.2.4 Deskundigen op de pleitzitting
De (bijzondere) positie van onteigenings- en nadeelcompensatiedeskundigen (SteR nr. 58) 2023/2.2.4
2.2.4 Deskundigen op de pleitzitting
Documentgegevens:
S. Schuite, datum 10-04-2023
- Datum
10-04-2023
- Auteur
S. Schuite
- JCDI
JCDI:ADS701870:1
- Vakgebied(en)
Bestuursrecht algemeen (V)
Toon alle voetnoten
Voetnoten
Voetnoten
Kritisch daarover: Sluysmans 2011, p. 182.
HR 27 november 2015, ECLI:NL:HR:2015:3415, NJ 2016/277.
HR 27 november 2015, ECLI:NL:HR:2015:3415, NJ 2016/277, r.o. 3.3.2.
Wijting 1984, p. 134-135.
Verpaalen, Advocatenblad 1967, p. 245.
Sluysmans 2011, p. 182.
De Jager & Hoekstra, TBR 2012/3, § 3.1.5.
§ 4.2.4.
Deze functie is alleen te gebruiken als je bent ingelogd.
Onteigeningswet
Krachtens art. 37 lid 1 onteigeningswet worden de deskundigen opgeroepen om bij de pleitzitting aanwezig te zijn ‘opdat dezen desgevraagd mondelinge toelichting op het uitgebrachte advies verstrekken’. In de praktijk zijn de deskundigen, uitzonderingen daargelaten, altijd aanwezig bij de pleitzitting. Het komt wel voor dat de deskundigen voorafgaand aan de pleitzitting de pleitnota’s van partijen opvragen, zodat zij zich goed kunnen voorbereiden.1
De Hoge Raad heeft geoordeeld dat het bepaalde in art. 37 lid 1 onteigeningswet ook van toepassing is op het geding na cassatie en verwijzing. 2Dat betekent dat de deskundigen ook worden opgeroepen om aanwezig te zijn bij het pleidooi bij het hof waarnaar de zaak is verwezen door de Hoge Raad. Op het voorgaande kan een uitzondering worden gemaakt als de verwijzingsrechter zich voldoende voorgelicht acht door het reeds uitgebrachte advies – mede gelet op hetgeen nog aan geschilpunten resteert – en geen van beide partijen voorafgaand aan, of tijdens de pleitzitting gemotiveerd verzoekt de deskundigen alsnog op te roepen. Om een vlotte behandeling van de zaak te bevorderen kan de verwijzingsrechter dienaangaande voor de pleitzitting contact opnemen met de advocaten van beide partijen. 3
Omgevingswet
In de nieuwe onteigeningsregeling in de Omgevingswet is niet langer expliciet bepaald dat deskundigen worden opgeroepen om bij de pleitzitting aanwezig te zijn. De mogelijkheid daartoe ligt besloten in art. 194 lid 5 Rv. Dat artikel – alsmede de overige bepalingen van Rv – zal respectievelijk zullen voortaan op de deskundigenprocedure van toepassing zijn (uitgebreid hierna in § 2.2.10). Weliswaar lijkt het mij onwaarschijnlijk dat van de bestaande praktijk wordt afgeweken, toch is het op zijn minst opvallend dat de wetgever – zonder nadere motivering – afstapt van de verplichte oproeping van deskundigen en aansluit bij het discretionaire karakter van art. 194 lid 5 Rv. Ik zou de rechter ook willen aanbevelen de deskundigen steeds op te roepen, ondanks de hieronder nog te bespreken mogelijke risico’s. De aanwezigheid van deskundigen kan bij procespartijen het gevoel van transparantie en van hoor en wederhoor vergroten.
Analyse
Op de rol van de deskundigen tijdens de pleitzitting is in het verleden kritiek geleverd. De kern van die kritiek was dat het er partijen vooral om te doen leek te zijn deskundigen naar hun kant te bewegen. Gepleit werd dientengevolge vooral ten overstaan van de deskundigen, waarbij de rechter er een veelal regisserende rol op nahield. 4Volgens de criticasters voegde het pleidooi bovendien dikwijls niet veel toe, zeker niet als deskundigen zich al hadden voorbereid op de zitting. Ik laat Verpaalen aan het woord:
“Het komt namelijk zelden voor, dat een onteigeningsvonnis afwijkt van het deskundigenrapport. Zijn er afwijkingen, dan is dit een gevolg van het feit, dat deskundigen op de zitting wijziging hebben gebracht in hun rapport en een enkele keer is er een in juridisch opzicht afwijkend inzicht. Van een kritische beoordeling van het advies van deskundigen door de rechter is zelden sprake. De advocaten pleiten dan ook niet om het oordeel van de rechter te beïnvloeden, doch in de hoop deskundigen tot andere gedachten te brengen, en die hoop is in de meeste gevallen ijdel.”5
Ook Sluysmans heeft het pleidooi in onteigeningszaken al vergeleken met een ‘rituele dans’ van vooraf ingenomen standpunten.6 Een gevaar dat ook door de onteigeningsdeskundigen in het verleden wel werd erkend. Zij wezen destijds op het belang van een open en levendig debat van gezichtspunten.7
Mijn indruk is dat de rechtbanken thans strenger dan voorheen toezien op de juistheid van de – in ieder geval – juridische uitgangspunten van het deskundigenrapport. Ik kan mij niet aan de indruk onttrekken dat de kritische aandacht vanuit de praktijk en vanuit de rechtsgeleerde literatuur daar een rol in hebben gespeeld. De inhoudelijk kritischere toetsing door de rechter vertaalt zich in vonnissen die vaker dan voorheen afwijken van het deskundigenrapport.8