Einde inhoudsopgave
Onmiddellijke voorzieningen en hun externe werking (IVOR nr. 118) 2020/2.5.1
2.5.1 De rechtspersoon
mr. A.C. Faber, datum 16-03-2020
- Datum
16-03-2020
- Auteur
mr. A.C. Faber
- JCDI
JCDI:ADS197030:1
- Vakgebied(en)
Ondernemingsrecht / Rechtspersonenrecht
Voetnoten
Voetnoten
HR 27 september 2000, ECLI:NL:HR:2000:AA7245 (Gucci), r.o. 4.2. Uitvoeriger: Eikelboom 2017, p. 2.2.3.
Het enquêterecht kan in andere regelgeving van toepassing zijn verklaard op andere rechtsvormen, zie voor voorbeelden Storm 2018, 2.1.
Meestal in vrouwelijke vorm, omdat het meestal een besloten of naamloze vennootschap is.
Bijv. OK 6 september 2013, ECLI:NL:GHAMS:2013:2836, ARO 2013/145 (Cryo-Save). Zie ook 2.5.2. De rechtspersoon wordt in die verschillende hoedanigheden vertegenwoordigd door verschillende bestuurders. Zie over mogelijke complicaties en praktische oplossingen: Storm 2018, 2.3.2.2.
Wet 18 juni 2012 tot wijziging recht van enquête (Stb. 2012, 274), in werking sinds 1 januari 2013. HR 1 februari 2002, ECLI:NL:HR:2002:AD8831, ARO 2002/26 (De Vries Robbé). In de periode voor deze beschikking werd de rechtspersoon wel ontvankelijk geacht in een verzoek tot het instellen van een onderzoek naar haarzelf.
[64] Het draait in het enquêterecht om “het beleid en de gang van zaken van een rechtspersoon”.1 Het onderzoek naar dat beleid en die gang van zaken is de kern van het enquêterecht.2 In artikel 2:344 BW zijn de rechtspersonen opgesomd die onderwerp van een enquête kunnen zijn: de coöperatie, de onderlinge waarborgmaatschappij, de naamloze vennootschap en de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid, en voorts de stichting en de vereniging met volledige rechtsbevoegdheid, die een onderneming in stand houden waarvoor op grond van de wet een ondernemingsraad moet worden ingesteld.3 Uit het verzoekschrift waarmee de eerste fase wordt ingeleid zal de identiteit van de rechtspersoon moeten blijken. Dat volgt niet alleen uit artikel 2:345 lid 1 BW, maar ook uit artikel 278 lid 1 Rv dat onder meer voorschrijft dat het verzoekschrift een duidelijke omschrijving van het verzoek vermeldt.
[65] De rechtspersoon neemt procedureel een bijzondere plaats in. Hij dient, voordat het verzoek wordt gedaan, de gelegenheid te krijgen om de bij de verzoeker levende bezwaren te onderzoeken en naar aanleiding daarvan maatregelen te nemen.4 Als het verzoek wordt toegewezen draagt hij – vooralsnog – de kosten van het onderzoek.5 Hij mag, in tegenstelling tot anderen, zonder meer mededelingen aan derden doen uit het verslag van het onderzoek.6
In de bepalingen in het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering over de gewone verzoekschriftprocedure worden betrokkenen die niet als verzoeker optreden belanghebbenden genoemd. In de praktijk van het enquêterecht wordt van die terminologie afgeweken. In de enquêteprocedure is de rechtspersoon meestal niet de verzoekende partij. Niettemin wordt hij niet met belanghebbende aangeduid.7 Veelal wordt de term verweerster gebruikt.8
In de wettelijke regeling van het enquêterecht komt de term belanghebbende eenmaal voor. In artikel 349a lid 1 BW is bepaald dat iedere belanghebbende een verweerschrift kan indienen. In die bepaling wordt daar ook de rechtspersoon onder verstaan. In de praktijk van het enquêterecht wordt de aanduiding ‘belanghebbende’ meestal gereserveerd voor een (engere) kring van betrokkenen, waartoe in elk geval de rechtspersoon niet behoort. Het woord verweerster komt niet voor in de wettelijke regeling van het enquêterecht. Mij lijkt de hiervoor vermelde bijzondere positie van de rechtspersoon in de enquêteprocedure al voldoende reden om hem met het woord verweerder te onderscheiden van andere belanghebbenden.
De rechtspersoon kan zelf om een enquête verzoeken.9 Dan doet zich de vreemde situatie voor dat de rechtspersoon zowel verzoeker als verweerder is.10 In de periode tussen een uitspraak van de Hoge Raad in februari 2002 en de wetswijziging van 2013 was de rechtspersoon daartoe niet bevoegd en was hij slechts lijdend voorwerp.11