Einde inhoudsopgave
De strafbaarstelling van arbeidsuitbuiting in Nederland (SteR nr. 39) 2018/3.4.4
3.4.4 Sub 4: ‘de exploitant’
mr. drs. S.M.A. Lestrade, datum 01-01-2018
- Datum
01-01-2018
- Auteur
mr. drs. S.M.A. Lestrade
- JCDI
JCDI:ADS386195:1
- Vakgebied(en)
Bijzonder strafrecht / Economisch strafrecht
Voetnoten
Voetnoten
Zie onder meer Kamerstukken II 2003/04, 29 291, nr. 3, p. 2, 8 en 9 en Kamerstukken II 2003/04, 29 291, nr. 7, p. 8.
HR 24 november 2015, ECLI:NL:HR:2015:3309, NJ 2016/313 m.nt. Van Kempen en bevestiging in HR 5 april 2016, ECLI:NL:HR:2016:556, NJ 2016/315 m.nt. Van Kempen.
Zie ook Lestrade & Rijken 2014, p. 673.
Of de uitbating aangezien (zoals reeds opgemerkt) dit onderdeel formeel niet is beperkt tot uitbuiting.
BNRM 2012, p. 78-79.
Zie ook Alink & Wiarda 2010, p. 219 en 220 en Lindenberg 2014, p. 40.
HR 19 september 2006, ECLI:NL:HR:2006:AX9215, NJ 2006/525 en § 2.4.4.
In 25 verschillende mensenhandelzaken inzake overige uitbuiting gewezen in de periode november 2006 (de eerste mensenhandelzaak overige uitbuiting) tot en met de uitspraak van de Hoge Raad op 24 november 2015, oordeelden lagere rechters dat sub 4 het ‘oogmerk van uitbuiting’ of (in de meerderheid van de gevallen) ‘uitbuiting’ veronderstelt: Rb Den Haag 21 november 2006, ECLI:NL:RBSGR:2006:AZ2707 (Bulgaarse hennepknippers), Rb Den Haag 5 oktober 2007, ECLI:NL:RBSGR:2007:BB5303 (Poolse schoonmakers), Hof Arnhem 14 januari 2010, nr. 21-002724-08 (Verstandelijk gehandicapte, niet gepubliceerd), Rb Den Haag 9 juni 2009, ECLI:NL:RBSGR:2009:BJ1281, BJ1279, BJ1280 en BJ1282 (Chinese massagesalon en nagelstudio), Hof Den Haag 6 september 2013, ECLI:NL:GHDHA:2013:3398 (Hasjsmokkel, door de Hoge Raad in stand gelaten in HR 24 november 2015, ECLI:NL:HR:2015:3309, NJ 2016/313 m.nt. Van Kempen), Rb Dordrecht 20 april 2010, ECLI:NL:RBDOR:2010:BM1743 (Babbeltruc), Rb Den Haag 3 mei 2010, ECLI:NL:RBSGR:2010:BM3374 (Kroepoekbakkers), Rb Leeuwarden 13 juli 2010, ECLI:NL:RBLEE:2010:BN1233 (Roemeense bouwvakkers), Rb Arnhem 17 november 2010, nr. 05/702246-10 (Gedwongen prostitutie, afsluiten telefoonabonnementen en geld pinnen, niet gepubliceerd), Rb Zwolle 30 november 2010, ECLI:NL: RBZLY:2010:BP0008 (Vrijspraak uitbuiting Roemeen), Hof Amsterdam 7 november 2011, ECLI:NL:GHAMS:2012:BY3257 (Telefoonabonnementen II), Rb Den Haag 27 juli 2011, ECLI:NL:RBSGR:2011:BR3337 (Uitbuiting Chinezen als hotelpersoneel), Rb Alkmaar 8 december 2012, ECLI:NL:RBALK:2011:BU8348 en BU8346 (Uitbuiting Oekraïners), Rb Zwolle-Lelystad 14 december 2012, ECLI:NL:RBZLY:2012:BY7662 (Uitbuiting Polen in slachterij), Rb Oost-Nederland 28 januari 2013, ECLI:NL:RBONE:2013:BY9738, BY9733, BY9732 en BY9736 (Uitbuiting in vleesverwerkingsindustrie), Rb Amsterdam 18 maart 2013, ECLI:NL:RBAMS:2013:BZ9113 (Uitbuiting kok in Chinees restaurant), Hof Arnhem-Leeuwarden 4 december 2014, ECLI:NL:GHARL:2014:9415 (Zwendel met telefoonabonnementen I, door de Hoge Raad in stand gelaten, zie HR 5 april 2016, ECLI:NL:HR:2016:556, NJ 2016/315 m.nt. Van Kempen), Rb Midden-Nederland 9 juli 2013, ECLI:NL:RBMNE:2013:2679 (Supermarktdiefstal kleindochter), Rb Gelderland 22 oktober 2013, ECLI:NL:RBGEL:2013:4039 en 4035 (Seksuele uitbuiting, telefoonabonnement en geld lenen), Rb Gelderland 10 juni 2014, ECLI:NL:RBGEL:2014:3640 (Zwendel met telefoonabonnementen II), Rb Gelderland 23 oktober 2015, ECLI:NL:RBGEL: 2015:6541 (Uitbuiting van verslaafden), Hof Arnhem-Leeuwarden 18 september 2015, ECLI:GHARL:2015:6878 (Gedwongen straatkrantverkoop II), Rb Zeeland-West-Brabant 23 juli 2015, ECLI:NL:RBZWB:2-15:4870 (Gedwongen afsluiten telefoonabonnementen), Rb Noord-Holland 9 maart 2015, ECLI:NL:RBNHO:2015:2328 (Uitbuiting drugsverslaafde en dakloze jongens) en Rb Den Haag 20 januari 2015, ECLI:NL: RBDHA:2015:456 (Stomerij). In 7 zaken met betrekking tot overige uitbuiting gewezen in de periode november 2006 (de eerste mensenhandelzaak overige uitbuiting) tot en met de uitspraak van de Hoge Raad op 24 november 2015 (indien gepubliceerd) oordeelden lagere rechters dat sub 4 geen ‘oogmerk van uitbuiting’ of ‘uitbuiting’ vereist: Rb Rotterdam 3 december 2008, nr. 10/690145-06 (Marokkaanse bruid, niet gepubliceerd), Hof Leeuwarden 6 oktober 2009, ECLI:NL:GHLEE:2009:BJ9385 (GGZ patiënt, door de Hoge Raad in stand gelaten, zie HR 5 juli 2011, ECLI:NL:HR:2011:BQ6691), Hof Arnhem 10 juni 2011, nr. 21-004189-10 (Gedwongen prostitutie, afsluiten telefoonabonnementen en geld pinnen, niet gepubliceerd, door de Hoge Raad in stand gelaten, zie HR 29 januari 2013, nr. S11/02828 (niet gepubliceerd)), Hof Den Haag 25 augustus 2011, ECLI:NL:GHSGR:2011:BR5629 (Cocaïnesmokkel en telefoonabonnementen), Rb Haarlem 8 december 2010, ECLI:NL: RBHAA:2010:BO8985 (Telefoonabonnementen I) en Rb Overijssel 28 november 2013, ECLI:NL:RBOVE:2013:2951 (Aardbeienplukkers), Rb Rotterdam 1 juni 2015, ECLI:NL: RBROT:2015:3785 (Schuldbinding Hongaren).
HR 20 december 2011, ECLI:NL:HR:2011:BR0448. En zie HR 29 januari 2013, S11/02828, afgedaan met 81 RO. Advocaat-generaal Aben stelt in zijn conclusie dat het Hof terecht heeft geoordeeld dat het oogmerk van uitbuiting geen bestanddeel uitmaakt van sub 4 en dat het middel miskent dat het Hof zodanig oogmerk ook niet heeft bewezen verklaard. Aben verwijst daarbij naar het arrest van de Hoge Raad van 20 december 2011. Aldus kan volgens Aben het middel met artikel 81 RO worden afgedaan. Dit is ook gebeurd.
HR 24 november 2015, ECLI:NL:HR:2015:3309 (Hasjsmokkel), NJ 2016/313 m.nt. Van Kempen. En zie de bevestiging daarvan in HR 5 april 2016, ECLI:NL:HR:2016:554 (Zwendel met telefoonabonnementen I), NJ 2016/315 m.nt. Van Kempen.
Hof Arnhem 10 juni 2011, nr. 21-004189-10 (niet gepubliceerd), destijds nog door de Hoge Raad in stand gelaten, zie HR 29 januari 2013, nr. S11/02828 (niet gepubliceerd), Hof Den Haag 25 augustus 2011, ECLI:NL:GHSGR:2011:BR5629 (Cocaïnesmokkel en telefoonabonnementen), Rb Haarlem 8 december 2010, ECLI:NL:RBHAA:2010:BO8985 (Telefoonabonnementen I) en Rb Dordrecht 20 april 2010, ECLI:NL:RBDOR:2010: BM1743 (Babbeltruc) vrijspraak voor de slachtoffers waarbij sprake zou zijn van mis- bruik, maar veroordeling ter zake van het slachtoffer dat door bedreiging is aangezet tot het afsluiten van een telefoonabonnement.
Hof Arnhem-Leeuwarden 4 december 2014, ECLI:NL:GHARL:2014:9415 (Zwendel met telefoonabonnementen I, door de Hoge Raad in stand gelaten, zie HR 5 april 2016, ECLI:NL:HR:2016:556, NJ 2016/315 m.nt. Van Kempen), Rb Gelderland 10 juni 2014, ECLI:NL:RBGEL:2014:3640 (Zwendel met telefoonabonnementen II), Hof Amsterdam 7 november 2011, ECLI:NL:GHAMS:2012:BY3257 (Telefoonabonnementen II), Rb Dordrecht 20 april 2010, ECLI:NL:RBDOR:2010:BM1743 (Babbeltruc) vrijspraak van de slachtoffers waarbij sprake zou zijn van misbruik.
HR 24 november 2015, ECLI:NL:HR:2015:3309 (Hasjsmokkel) , NJ 2016/313 m.nt. Van Kempen en HR 5 april 2016, ECLI:NL:HR:2016:554, NJ 2016/315 m.nt. Van Kempen (Zwendel met telefoonabonnementen I).
Kamerstukken II 1990/91, 21 027, nr. 5, p. 6. Het is niet de bedoeling van de wetgever geweest om de klant als afnemer van seksuele diensten onder dit onderdeel te brengen. In de memorie van toelichting bij de Wet ter regulering van de prostitutie wordt uitdrukkelijk opgemerkt dat deze wet alleen de klant die diensten afneemt van illegale (niet geregistreerde) prostituees beoogt strafbaar te stellen, Kamerstukken II 2009/10, 32 211, nr. 3, p. 35. Niet aannemelijk is dat de klant eerder dan al strafbaar zou zijn voor mensenhandel. Toch lijkt brede interpretatie van sub 4 tweede deel vervolging niet uit te sluiten. Als de klant namelijk een dienst afneemt van een (al dan niet geregistreerde) prostituee die onder druk staat van een ander, zou dit gekwalificeerd kunnen worden als het ondernemen van ‘enige handeling’ jegens de prostituee waardoor zij zich beschikbaar stelt tot het verrichten van seksuele diensten. Vereiste is dan wel dat de klant redelijkerwijs moet kunnen vermoeden dat ten aanzien van de betreffende prostituee dwangmiddelen dan wel ongeoorloofde beïnvloedingsmiddelen zijn ingezet waardoor zij zich beschikbaar stelt. Zie anders Alink & Wiarda 2010, p. 225: ‘De klant als afnemer van seksuele diensten valt niet onder dit onderdeel. Handelingen van de klant kunnen vallen onder de zedenmisdrijven.’
Analyse van de arbeidsuitbuitingmensenhandelzaken gewezen in de periode november 2006 (de eerste mensenhandelzaak met betrekking tot arbeidsuitbuiting) tot en met publicatiedatum 1 oktober 2017.
Hof Den Haag 25 augustus 2011, ECLI:NL:GHSGR:2011:BR5629 (Cocaïnesmokkel en telefoonabonnementen).
Zie bijvoorbeeld Rb Utrecht 5 oktober 2010, ECLI:NL:RBUTR:2010:BO2835 (Uitbuiting in koffiehuis), Rb Roermond 26 oktober 2010, ECLI:NL:RBROE:2010:BO3022 (Poolse champignonplukkers), Hof Arnhem 10 juni 2011, nr. 21-004189-10 (Gedwongen prostitutie, afsluiten telefoonabonnementen en geld pinnen, niet gepubliceerd), Rb Amsterdam 18 maart 2013, ECLI:NL:RBAMS:2013:BZ9113 (Uitbuiting kok in Chinees restaurant) en Hof Amsterdam 16 november 2016, ECLI:NL:GHAMS:2016:5039 en 5035 (Braziliaanse huishoudhulpen).
Hof Den Haag 25 augustus 2011, ECLI:NL:GHSGR:2011:BR5629 (Cocaïnesmokkel en telefoonabonnementen), Rb Zwolle-Lelystad 14 december 2012, ECLI:NL:RBZLY:2012: BY7662 (Uitbuiting Polen in slachterij), Rb Midden-Nederland 9 juli 2013, ECLI:NL: RBMNE:2013:2679 (Supermarktdiefstal kleindochter).
Rb. Midden-Nederland 9 juli 2013, ECLI:NL:RBMNE:2013:2679 (Supermarktdiefstal kleindochter).
In deze zaak volgde overigens niet alleen een veroordeling van mensenhandel op grond van sub 4, tweede deel, maar ook op grond van sub 2 en 6.
Hof Den Haag 25 augustus 2011, ECLI:NL:GHSGR:2011:BR5629 (Cocaïnesmokkel en telefoonabonnementen).
Dit onderdeel behelst de situatie waarin een ander door een vorm van dwang of door omstandigheden wordt bewogen tot arbeid, diensten of orgaandonatie. Deze bepaling is overgenomen uit het oude artikel 250ter Sr. Simpel gesteld gaat het om de strafbaarstelling van de exploitant, de persoon die in de vervolgfase van het mensenhandeltraject betrokken is. Ik duid de dader aan als exploitant, als iemand die een ander uitbaat, en niet als uitbuiter, omdat uitbuiting expliciet niet is vereist voor sub 4. Ook al was het de wetgever primair te doen om de strafbaarstelling van uitbuiting, hiertoe is de bepaling opvallend genoeg niet beperkt.1Impliciet is uitbuiting wel een vereiste. De Hoge Raad heeft namelijk geoordeeld dat het in het vierde onderdeel omschreven feit alleen strafbaar is ‘als het is begaan onder omstandigheden waarbij uitbuiting kan worden verondersteld’.2 Uitbuiting vormt aldus een impliciet bestanddeel van de delictsomschrijving. Bij de uiteenzetting van de strafbare gedraging wordt zowel ingegaan op de expliciete als de impliciete lezing.
Verhouding tot sub 1
Dat sub 1 betrekking heeft op het proces van de handel in mensen en sub 4 is gericht op de strafbaarstelling van het op bepaalde wijze gebruiken van mensen (in feite gaat het om uitbuiten, maar het woord ‘uitbuiting’ is niet expliciet opgenomen in dit onderdeel) komt ook tot uitdrukking in de verschillende functies van de beïnvloedingsmiddelen in sub 1 en sub 4. In sub 1 gaat het om degene die door beïnvloeding iemand rekruteert met het oogmerk van uitbuiting. De beïnvloeding ziet hier op de diverse wervingshandelingen. Bij sub 4 daarentegen wordt de beïnvloeding aangewend om een ander te bewegen arbeid te verrichten of een dienst te verlenen. De rekrutering is bij deze vorm niet van belang.3 In beginsel volgen sub 1 en sub 4 elkaar op, van een proces met het oogmerk van uitbuiting wordt overgegaan naar de uitbuiting zelf.4 Voorts kan er overlap tussen sub 1 en sub 4 zijn, namelijk daar waar de uitbuiting al is aangevangen. In de praktijk wordt sub 1 dan ook vaak naast sub 4 ten laste gelegd.5
Het is voor ‘uitbuiting’ niet nodig dat sprake is van de letterlijke bewoording in onderdeel 4, maar andersom kan de overtreding van onderdeel 4 als vervulling van het bestanddeel ‘uitbuiting’ worden aangemerkt.6 Sub 4 stelt immers strafbaar ‘degene die door beïnvloedingsmiddelen (waaronder dwang en misbruik) een ander beweegt tot arbeid of diensten’. Als dit geschiedt met het doel voordeel te behalen van een ander, is uitbuiting aan de orde.
Sub 4 eerste deel
Onderdeel 4 valt uiteen in twee delen. Het eerste deel bevat de omstandigheid waarin beïnvloedingsmiddelen worden ingezet teneinde een ander te bewegen tot arbeid, diensten of orgaandonatie. Anders dan sub 1 is in de wettekst geen wervingshandeling en geen oogmerk van uitbuiting opgenomen. De arbeid of diensten hoeven bovendien nog niet te zijn verricht. Het is voldoende als het slachtoffer zich onder dwang of beïnvloeding beschikbaar heeft gesteld.7
In de praktijk bestond onduidelijkheid over de vraag of ‘oogmerk van uitbuiting’ dan wel ‘daadwerkelijke uitbuiting’ – ondanks dat het niet expliciet is opgenomen in de wet – toch deel uitmaakt van sub 4.8 De Hoge Raad heeft geoordeeld dat het ‘oogmerk van uitbuiting’ geen bestanddeel is.9 Zoals reeds opgemerkt betreft ‘uitbuiting’ wel een impliciet bestanddeel.10 De brede bepaling wordt daarmee inhoudelijk ingeperkt.
Indien de bepaling in onderdeel 4 letterlijk zou worden gelezen, zou de reikwijdte groot zijn. Al het werk waartoe wordt aangezet zou dan binnen de strafbaarstelling vallen; een situatie van slavernij, dienstbaarheid of dwangarbeid of andere vormen van uitbuiting hoeft niet te worden aangetoond. Degene die door ‘een feitelijkheid’ een ander tot arbeid beweegt, zou dan schuldig kunnen worden bevonden aan mensenhandel. Het beïnvloedingsmiddel ‘door een feitelijkheid’ is niet bepaald. Dat betekent dat alles wat zou worden gebruikt om een ander aan het werk te zetten – bijvoorbeeld de werkgever die een werknemer een arbeidscontract laat tekenen – voldoende zou zijn. Het spreekt voor zich dat het niet wenselijk is dergelijke legale gedragingen strafbaar te stellen. In verschillende zaken bleek de worsteling van rechters met vervolgingen op basis van dit onderdeel. Zo zijn in diverse zaken verdachten vervolgd voor mensenhandel onder sub 4 omdat zij slachtoffers hadden misleid tot zwendel met telefoonabonnementen. In 2010 en 2011 leidde een deel van deze zaken nog tot veroordelingen.11 In het overgrote deel van de zaken volgde vrijspraken.12 Deze lagere rechterlijke instanties spraken vrij omdat ‘uitbuiting’ gelet op ratio van de strafbaarstelling bewezen moest kunnen worden om tot een veroordeling te komen. Daarvan was in deze zaken geen sprake: de slachtoffers waren weliswaar opgelicht, maar het betrof geen uitbuiting. De Hoge Raad heeft met zijn uitspraken in november 2015 en april 2016 deze koers geaccordeerd.13
Sub 4 tweede deel
Het tweede deel van sub 4 behelst de situatie waarin onder de omstandigheden van sub 1 ‘enige handeling’ wordt ondernomen waarvan de dader weet (opzet) of redelijkerwijs moet vermoeden (culpa) dat de ander zich beschikbaar stelt tot het verrichten van arbeid of diensten. De term ‘omstandigheden’ slaat terug op alle situaties genoemd in onderdeel 1°.14 Dit betreft een belangrijke, maar tevens ogenschijnlijk onopgemerkte wijziging ten opzichte van de oude strafbepaling. In artikel 250a Sr werd gedoeld op de situaties opgenomen in hetzelfde lid. In dit lid was echter alleen het dwangmiddel als vereist bestanddeel opgenomen. Het betrof dus een situatie waarbij een dwangmiddel op een persoon is toegepast, en vervolgens enige handeling is ondernomen waarvan bekend was dat het slachtoffer zich beschikbaar zou stellen tot arbeid. De wetgever wilde daarmee degene strafbaar stellen die gebruik maakte van een uitbuitingssituatie.15 Bij de introductie van deze variant werd als voorbeeld genoemd het geval dat wordt bemiddeld voor werkzaamheden aan de bar in bepaalde inrichtingen, als animeermeisje of stripteasedanseres en redelijkerwijs vermoed moet worden dat de ander daardoor in de prostitutie belandt.16 In het nieuwe 273f Sr wordt echter niet naar hetzelfde sublid verwezen, maar naar het sublid 1°. Anders dan artikel 250a Sr zijn in dit sublid meerdere componenten opgenomen: de werving, een beïnvloedingsmiddel en het oogmerk van uitbuiting. Het tweede onderdeel van sub 4 vereist dus volgens de letterlijke tekst (anders dan het eerste deel) een situatie waarin iemand is geworven, met behulp van een dwangmiddel én met het oogmerk van uitbuiting, immers het moet ‘onder de omstandigheden van sub 1’ gebeuren. De betreffende wervingshandeling, het dwangmiddel en het oogmerk van uitbuiting hoeven alleen niet ten aanzien van de verdachte te worden bewezen. Bij de verdachte hoeft enkel vast te staan dat hij een slachtoffer onder genoemde gesteldheid heeft bewogen tot beschikbaarstelling van arbeidsverlening. Materieel wordt de bepaling evenwel anders gelezen. In de diverse mensenhandelzaken die zijn gewezen met betrekking tot sub 4 tweede deel, wordt er enkel vanuit gegaan dat een beïnvloedingsmiddel moet zijn ingezet (en dus niet een wervingshandeling en de aanwezigheid van het oogmerk van uitbuiting).17 Het Hof Den Haag heeft uitdrukkelijk gesteld dat onderdeel 4° geen oogmerk van uitbuiting als voorwaarde kent. Daarbij wordt in overweging genomen dat het sublid een uitwerking is van het oude artikel 250a lid 1 Sr en dat dit artikel eveneens geen oogmerk van uitbuiting omvatte.18 De Hoge Raad heeft in de hierboven genoemde arresten geen onderscheid gemaakt tussen sub 4 eerste en tweede deel, maar in zijn algemeenheid geoordeeld dat ‘uitbuiting’ een impliciet bestanddeel is van sub 4 (dus ook van het tweede deel). De bepaling dient dan zo gelezen te worden dat verdachte zich bewust is of redelijkerwijs bewust zou moeten zijn van de dwang- of beïnvloedingssituatie bij een ander die hij niet zelf hoeft te hebben gecreëerd (immers dan is het eerste deel van sub 4 aan de orde), maar waar hij wel gebruik van maakt door ‘enige handeling te ondernemen’ waardoor de ander zich beschikbaar stelt tot arbeid, diensten of orgaandonatie – en waarbij uitbuiting kan worden verondersteld.
In de praktijk bestaat onduidelijkheid over de toepassing van sub 4 tweede deel. In sommige zaken wordt zowel het eerste als het tweede deel van sub 4 bewezen verklaard.19 In sommige zaken wordt alleen het tweede deel van sub 4 bewezen verklaard.20 In al die zaken had het echter meer voor de hand gelegen om de veroordeling enkel op sub 4 eerste deel te baseren. Het volgende voorbeeld illustreert dit goed. In een uitspraak van de Rechtbank Midden-Nederland werd onder meer bewezen verklaard dat verdachte:
‘... die [A] onder een van de onder artikel 273f lid 1 sub 1 genoemde omstandigheden (te weten: door misbruik van uit feitelijke omstandigheden voortvloeiend overwicht en door misbruik van een kwetsbare positie) enige handeling heeft ondernomen waarvan hij wist of redelijkerwijs moest vermoeden dat die [A] zich daardoor beschikbaar zou stellen tot het verrichten van diensten (sub 4)’.21
Uit deze bewezenverklaring volgt dat het slachtoffer A in een situatie verkeert waarbij sprake is van ‘misbruik van omstandigheden’. De verdachte heeft daar gebruik van gemaakt door ‘enige handeling te ondernemen waardoor A zich beschikbaar stelt tot diensten’. De rechtbank overweegt dat de verdachte misbruik heeft gemaakt van zijn uit feitelijke omstandigheden voortvloeiend overwicht en van de kwetsbare positie van zijn 10-jarige kleindochter, door deze kleindochter in te zetten voor het plegen van een diefstal in een Albert Heijn. Op grond van dit oordeel had het eerste deel van sub 4 bewezen kunnen worden. Verdachte heeft zélf het slachtoffer bewogen tot arbeid door misbruik te maken van zijn overmachtspositie.22 Ook in de zaak van het Hof ’s-Gravenhage van 25 augustus 2011 was sprake van beïnvloeding door de dader zelf: hij had het slachtoffer misleid.23 In plaats van het tweede deel, had hier eveneens weer een veroordeling van het eerste deel van sub 4 kunnen volgen. Het is moeilijk een praktijkvoorbeeld te bedenken waarbij geen sprake is van sub 4 eerste deel, maar wel van de opzetvariant in het tweede deel van sub 4. Het bewust gebruik maken van een dwangsituatie die door een ander is gecreëerd (door ‘enige handeling’ te ondernemen teneinde de ander zich beschikbaar te laten stellen tot arbeid of dienstverlening) kan namelijk al snel getypeerd worden als het zelfstandig bewegen van iemand door misbruik te maken van een overmachtssituatie dan wel van een kwetsbare positie (en dus een situatie van sub 4 eerste deel). De culpoze variant in de bepaling biedt wel extra mogelijkheden. Een veroordeling voor mensenhandel zou hier kunnen volgen zodra iemand een ander een arbeidsvoorstel doet (‘enige handeling ondernemen’). En deze persoon gaat daarop in omdat hij in een benarde positie verkeert (bijvoorbeeld doordat hij is afgeperst) terwijl de aanbieder dit niet wist, maar wel redelijkerwijs kunnen vermoeden. De uitbuiting kan hier worden verondersteld.
Tussenconclusie
De letterlijke bepaling in sub 4 heeft een brede reikwijdte. Bij woordelijke lezing van de wettekst zou iemand strafbaar kunnen zijn indien hij dwang- of beïnvloedingsmiddelen inzet waardoor een ander wordt bewogen tot arbeid, diensten of orgaandonatie. De Hoge Raad heeft het bereik ingeperkt door uitbuiting als impliciet bestanddeel in te lezen.
De meerwaarde van het tweede onderdeel van sub 4 is niet volstrekt duidelijk. De arbeidsuitbuitingszaken die zijn gestoeld op dit onderdeel, hadden eveneens kunnen worden afgedaan met sub 4 eerste deel. Het is dan ook de vraag of dit onderdeel niet beter kan worden geschrapt. Hoofdstuk 5 komt hier op terug.
In het inleidende hoofdstuk is onder meer de vraag gesteld of bootvluchtelingen uit Eritrea tegen kost en inwoning in Nederland kunnen werken zonder te spreken van mensenhandel. Bij woordelijke lezing zou dit zonder meer onder sub 4 gebracht kunnen worden. Immers, bij de letterlijke bepaling is voldoende dat een ander door een vorm van dwang of door omstandigheden is bewogen tot arbeid of diensten. Als omstandigheid zou in dezen de kwetsbare positie van de vluchtelingen kunnen worden aangemerkt. Inhoudelijk dient evenwel eerst ‘uitbuiting’ te kunnen worden verondersteld. Een veroordeling van mensenhandel hoeft in dat geval niet noodzakelijk te volgen (zie § 3.3.6).