Einde inhoudsopgave
Het pre-insolventieakkoord 2016/4.3.1
4.3.1 De ratio van het stemmen in klassen
N.W.A. Tollenaar, datum 16-10-2016
- Datum
16-10-2016
- Auteur
N.W.A. Tollenaar
- Vakgebied(en)
Insolventierecht / Faillissement
Voetnoten
Voetnoten
Zie in dit verband ook F.M.J. Verstijlen, Het insolventieakkoord, in: J.A. van de Hel, M.C.A. van den Nieuwenhuijzen, & J.H. Verdonschot (red.), Het Voorontwerp Insolventiewet nader beschouwd, Ars Aequi, 2008, p. 135 e.v.
Zie bijv. Hof Amsterdam 5 november 2005, JOR 2005/51 (Mendel q.q./ABN AMRO), Rb. Utrecht 9 augustus 1989, NJ 1990/399 (Breevast) en Hof Arnhem-Leeuwarden, 21 juli 2015 (Spyker) JOR 2015/317 m.nt. Tollenaar; zie ook kritisch B.S.J.M. van Gangelen en G.H. Gispen, Voorstellen tot verbetering van de surseance en het akkoord, in: “Overeenkomsten en insolventie”, N.E.D. Faber, J.J. van Hees en N.S.G.J. Vermunt (red.), Kluwer, 2012, p. 319.
Zie ook paragrafen 4.3.6 en 4.3.7 hierna.
Denk voorbijvoorbeeld aan een kleine deelgroep die tegen is, die kan worden weggestemd door deze onderdeel te maken van een grotere klasse die voor het overige voor is.
Indien het akkoord partijen met een verschillende positie beoogt te binden, is het nodig om deze partijen in klassen te laten stemmen teneinde de stemuitslag de betekenis en de legitimatie te geven om een tegenstemmende minderheid te binden.1
Indien de meerderheid van een groep personen die in dezelfde juridische positie verkeren en dezelfde behandeling onder het akkoord ontvangen, vóór stemt, vormt dat een relevante aanwijzing dat het niet onredelijk is om dezelfde behandeling op te leggen aan een tegenstemmende minderheid die in dezelfde juridische positie verkeert en dezelfde behandeling onder het akkoord ontvangt.
Een stemming binnen een groep personen die in een verschillende juridische positie verkeren, heeft geen democratische betekenis en dus ook geen bindend gezag. De stem van een persoon met de ene positie zegt niets over de redelijkheid van de behandeling van een persoon met een andere positie. Voorbeeld: er zijn 3 volledig gesecureerde crediteuren en 7 concurrente crediteuren. Alle crediteuren krijgen onder het akkoord 50% van hun vordering aangeboden. De 7 concurrente crediteuren stemmen vóór. De 3 gesecureerde crediteuren stemmen tegen. Het feit dat de 7 concurrente crediteuren vóór hebben gestemd zegt niets over de redelijkheid van de behandeling van de 3 gesecureerde crediteuren die in een juridisch andere positie verkeren, en vormt dan ook geen legitimatie om de 3 gesecureerde crediteuren te binden.
Een stemming binnen een groep personen die weliswaar in dezelfde juridische verkeren maar een verschillende behandeling onder het akkoord genieten, heeft evenmin democratisch gezag. De stem van een persoon die de ene behandeling geniet, zegt niets over de redelijkheid van een verschillende behandeling die aan een ander toevalt. Voorbeeld. Er zijn 10 concurrente crediteuren. 7 krijgen onder het akkoord 90% van hun vordering aangeboden en stemmen vóór. 3 krijgen slechts 40% van hun vordering aangeboden en stemmen tegen. Het feit dat de meerderheid van 7 die 90% krijgt aangeboden vóór heeft gestemd zegt niets over de redelijkheid van de behandeling van de minderheid van 3 die slechts 40% krijgt aangeboden en mist dan ook het gezag om die minderheid van 3 te binden.
Kortom: om de stemuitslag de betekenis en het democratische gezag te geven om een minderheid te binden, mogen de klassen uitsluitend bestaan uit partijen die i) in een vergelijkbare juridische positie verkeren, én ii) een vergelijkbare behandeling onder het akkoord genieten.
Het stemmen in klassen maakt het mogelijk om crediteuren met een vergelijkbare juridische positie verschillend te behandelen. Men moet dan de crediteuren die dezelfde juridische positie hebben, maar verschillend onder het akkoord worden behandeld, in aparte klassen onderbrengen zodat alle crediteuren (met een vergelijkbare juridische positie) binnen een klasse dezelfde behandeling onder het akkoord ontvangen. De klasse die de minder gunstige behandeling ontvangt, kan door bij meerderheid vóór te stemmen aangeven dat de behandeling die het akkoord haar toekent onder de gegeven omstandigheden niet onredelijk is en daarmee een dissidente minderheid binnen die klasse binden. Stemt men in één klasse, dan kan de deelgroep die de minder gunstige behandeling ontvangt zich niet separaat over het akkoord uitlaten. Een meerderheid die de voorkeursbehandeling ontvangt zou dan de minderheid die de minder gunstige behandeling ontvangt, kunnen wegstemmen. Het is naar huidig recht dan ook bepaald niet vanzelfsprekend dat een verschillende behandeling van crediteuren tot op zekere hoogte toelaatbaar wordt geacht, terwijl er niet in verschillende klassen wordt gestemd.2
Indien de klassen op juiste wijze zijn samengesteld, zal van minderheidsonderdrukking (“minority oppression”) in principe geen sprake kunnen zijn. Beschouw bijvoorbeeld een geval waarin er één klasse is gevormd. Het akkoord kent alle waarde toe aan 70% van de crediteuren. De overige 30% van de crediteuren ontvangt onder het akkoord niets. In zo’n geval zou de meerderheid van 70% zich door vóór te stemmen kunnen bevoordelen ten koste van de minderheid van 30% (en de minderheid op die manier kunnen “onderdrukken”). Omdat het akkoord deze twee groepen echter verschillend behandelt, moeten de twee groepen in verschillende klassen worden ondergebracht. De kleinere groep die niets ontvangt zal dan als eigen zelfstandige klasse tegen kunnen stemmen en het akkoord op die manier kunnen tegenhouden. Zie ook paragrafen 4.3.6, 4.3.7 en paragraaf 8.8 hierna.
Men houdt voor ogen dat gelijk geplaatste vermogensverschaffers (dat wil zeggen vermogensverschaffers die vergelijkbare bestaande rechten hebben en die onder het akkoord op vergelijkbare wijze worden behandeld) in dezelfde klasse kunnen worden plaatst, maar niet noodzakelijkerwijs in dezelfde klasse hoeven te worden geplaatst. Een groep gelijk geplaatste vermogensverschaffers kan in principe ook in meerdere kleinere klassen van gelijk geplaatste vermogensverschaffers worden opgedeeld. Ik licht dit toe.
Een akkoord kan slechts langs democratische weg tot stand komen zonder inhoudelijke rechterlijke inmenging, indien iedere klasse bij meerderheid (dus de meerderheid binnen iedere klasse) voor stemt.3 Hoe kleiner het aantal en hoe groter de omvang van de klassen, hoe geringer de vereiste instemming onder alle stemgerechtigden om het akkoord als (door iedere klasse) aangenomen te beschouwen.4 Omgekeerd, hoe groter het aantal en hoe kleiner de omvang van de klassen, hoe groter de vereiste instemming onder de stemgerechtigden als geheel. Maakt men het aantal klassen zo groot en de omvang van iedere klasse zo klein, dat iedere klasse slechts één stemgerechtigde bevat, dan is men terug bij de unanimiteitseis. Daar is niets mis mee, zij het dat unanimiteit niet altijd zal zijn te behalen.
De aanbieder van een akkoord kan de minimaal vereiste instemming onder alle stemgerechtigden verlagen door de klassen zo groot mogelijk te maken. Hij mag daarin echter niet verder gaan dan tot het punt waarop alle gelijk geplaatste vermogensverschaffers bij elkaar in dezelfde klassen zijn gegroepeerd. De klassen mogen niet zo groot worden gemaakt dat zij verschillend geplaatste vermogensverschaffers omvatten. Er bestaat echter niets op tegen dat de aanbieder van een akkoord om hem moverende redenen een gelijk geplaatste groep in meerdere kleinere klassen onderverdeelt en daarmee een hogere mate van instemming in totaliteit verlangt dan minimaal vereist.
Een aanbieder van een akkoord kan er belang bij hebben om een groep stemgerechtigden op te splitsen in twee of meer kleinere klassen bijvoorbeeld indien hij iedere discussie wenst te voorkomen over de vraag of een opdeling in verschillende klassen wegens verschil in positie geboden is en hij er vertrouwen in heeft dat hij de vereiste meerderheid binnen iedere afzonderlijke klasse zal kunnen behalen.5 Een tegenstander kan zich niet verzetten tegen de totstandkoming van het akkoord op de grond dat de klassenindeling onjuist zou zijn met als argument dat alle stemgerechtigden gelijk geplaatst zijn en daarom in één grote klasse hadden moeten worden ondergebracht. Indien de vereiste meerderheid binnen iedere kleinere klasse wordt behaald, zou de vereiste meerderheid binnen één grote samengevoegde klasse zeker zijn behaald.
Bij het formuleren van een criterium voor de klassenindeling zou het uitgangspunt dan ook niet moeten zijn dat gelijk geplaatste vermogensverschaffers in dezelfde klasse moeten worden ondergebracht, maar dat verschillend geplaatste vermogensverschaffers niet in dezelfde klasse mogen worden ondergebracht. Zoals gezegd, voor de beoordeling van de al dan niet gelijk geplaatstheid zijn zowel de bestaande rechten van de betrokken vermogensverschaffers van belang als de nieuwe rechten die zij onder het voorgestelde akkoord krijgen aangeboden.