Het pre-insolventieakkoord
Einde inhoudsopgave
Het pre-insolventieakkoord 2016/4.3.2:4.3.2 Vergelijking van oude en nieuwe rechten, niet belangen
Het pre-insolventieakkoord 2016/4.3.2
4.3.2 Vergelijking van oude en nieuwe rechten, niet belangen
Documentgegevens:
N.W.A. Tollenaar, datum 16-10-2016
- Datum
16-10-2016
- Auteur
N.W.A. Tollenaar
- Vakgebied(en)
Insolventierecht / Faillissement
Toon alle voetnoten
Voetnoten
Voetnoten
J. Payne, Schemes of Arrangement, Cambridge University Press, 2014, p. 49-50 met verwijzing naar de geciteerde rechtspraak. Zie ook hierna paragraaf 7.8.
Deze functie is alleen te gebruiken als je bent ingelogd.
Voor 100% zuivere democratische besluitvorming zou de positie van alle stemgerechtigden binnen een klasse idealiter exact hetzelfde moeten zijn. Hun rechten en belangen zouden volkomen identiek moeten zijn. Dit ideaalscenario is in de praktijk niet haalbaar.
De rechten van partijen in hun verhouding tot de schuldenaar kunnen nog wel voldoende vergelijkbaar zijn om deze te groeperen. De individuele, persoonlijke belangen van partijen zullen vaak echter per persoon verschillen waardoor het in de praktijk niet haalbaar is om partijen op basis van hun belangen te groeperen. De ene crediteur zal een grotere behoefte hebben aan liquiditeit, de andere crediteur zou een leverancier kunnen zijn die groter belang hecht aan de continuïteit van de onderneming, weer een andere crediteur heeft er wellicht belang bij zijn rechten als schuldeiser om te zetten in aandelen teneinde controle te verwerven, enzovoorts. Al deze crediteuren kunnen gelijksoortige rechten hebben en onder het akkoord een vergelijkbare behandeling ontvangen, maar toch verschillende belangen hebben. Zou men de klassen op basis van vergelijkbare belangen in willen delen, dan zou dit tot een grote toename in het aantal klassen kunnen leiden waarbij steeds kleinere groepen een vetorecht over het akkoord verkrijgen of waarbij zelfs iedere crediteur in een eigen aparte klasse zou moeten worden geplaatst (en daarmee een vetorecht verkrijgt).
Vanwege deze moeilijkheden vindt de klassenindeling bij schemes of arrangement uitsluitend plaats aan de hand van de rechten van de crediteuren, niet aan de hand van hun belangen. De reden waarom de rechter bij de klassenindeling in beginsel slechts de (oude en nieuwe) rechten (rights) van de crediteuren bij zijn beoordeling betrekt en niet hun belangen (interests), legt Payne, in bewoordingen ontleend aan de relevante rechtspraak, als volgt helder uit:
“The rights of members or creditors will generally be easier for the company to apply than their interests. In the words of Nazareth J: ‘is every interest to constitute a different class? Clearly not, but where then is the line to be drawn? The difficulties in identifying shareholders with such interests (…) could raise in terms of practicality virtually insuperable difficulties.’ It will generally be difficult for the company to assess the different interests of its members, without requiring a considerable amount of personal information from them. Requiring that type of information would lead to a ‘wholly unworkable, and highly undesirable, situation.’ In addition, unless a practical approach of this kind is adopted, there is a danger the ‘one could end up with virtually as many classes as there a members of a particular group.’”1
Om de voornoemde redenen moet men bij de klassenindeling in beginsel slechts kijken naar i) de rechten van de crediteur die onderwerp zijn van het akkoord (de oude rechten) en ii) de behandeling die de betrokken crediteur op basis van die rechten onder het akkoord ontvangt (de nieuwe rechten). Door in beginsel uitsluitend deze oude en nieuwe rechten bij de klassenindeling in beschouwing te nemen, aanvaardt men een inherente imperfectie in de besluitvorming en daarmee een scheurtje, zij het mijns inziens een acceptabele, in de bindende legitimatie daarvan.