Pleitbaar standpunt in het fiscale boete- en strafrecht
Einde inhoudsopgave
Pleitbaar standpunt in het fiscale boete- en strafrecht (FM nr. 148) 2016/4.3.1:4.3.1 Het pleitbare standpunt als verweer tegen het bewijs van het subjectieve bestanddeel
Pleitbaar standpunt in het fiscale boete- en strafrecht (FM nr. 148) 2016/4.3.1
4.3.1 Het pleitbare standpunt als verweer tegen het bewijs van het subjectieve bestanddeel
Documentgegevens:
dr. mr. M.M. Kors, datum 21-11-2016
- Datum
21-11-2016
- Auteur
dr. mr. M.M. Kors
- JCDI
JCDI:ADS568701:1
- Vakgebied(en)
Fiscaal procesrecht / Algemeen
Toon alle voetnoten
Voetnoten
Voetnoten
HR 11 juli 1984, BNB 1984/268 resp. HR 19 juni 1985, BNB 1986/29.
Deze functie is alleen te gebruiken als je bent ingelogd.
In belastingprocedures volgt de beoordeling van het boetegeschil pas na het oordeel over het belastinggeschil. Voordat aan de beoordeling van de gevolgen van het pleitbare standpunt voor de boete wordt toegekomen, is derhalve in het belastinggeschil reeds komen vast te staan dat de door de inspecteur opgelegde belastingaanslag juist is en de door de belastingplichtige ingediende belastingaangifte, alsmede de daarop gebaseerde heffing of -betaling, onjuist.
Het eerste pleitbaar standpunt arrest werd gewezen in 1984, een jaar voordat de belastingkamer van de Hoge Raad de beginselen van art. 6 EVRM op het fiscale boeterecht van toepassing heeft verklaard.1 Het beginsel geen straf zonder schuld was destijds in het fiscale boeterecht nog niet aanvaard, zodat voor de ongeschreven schulduitsluitingsgrond afwezigheid van alle schuld geen ruimte was. Het zou voorts nog 25 jaar duren voordat de strafuitsluitingsgronden in de Awb zouden worden opgenomen. Tegen deze achtergrond lag de beslissing van de belastingkamer van de Hoge Raad om het pleitbare standpunt bij vergrijpboetes op de vaststelling van opzet en grove schuld van invloed te laten zijn het meest voor de hand. De onjuistheid van de belastingaangifte staat immers al vast voordat de rechter aan de beoordeling van het pleitbare standpunt toekomt en de strafuitsluitingsgronden bestonden nog niet in het fiscale boeterecht.
Dit verklaart echter nog niet waarom de belastingkamer van de Hoge Raad het pleitbare standpunt objectieve werking zou hebben toegekend. In de volgende paragrafen komt de achtergrond van de objectieve werking aan de orde en wordt onderzocht in hoeverre de objectieve werking met de invulling van het opzet- en grove schuldbegrip verenigbaar kan zijn, of anders gezegd, in hoeverre een pleitbaar standpunt, uitgaande van de criteria die normaal voor de vaststelling van opzet en grove schuld gelden, zonder meer tot het ontbreken van opzet en grove schuld kan leiden.