Natrekking door onroerende zaken
Einde inhoudsopgave
Natrekking door onroerende zaken (O&R nr. 94) 2016/7.8.3:7.8.3 Zowel A als ‘zijn’ beperkt gerechtigde ging ervan uit dat het door verjaring verkregene mede bezwaard was
Natrekking door onroerende zaken (O&R nr. 94) 2016/7.8.3
7.8.3 Zowel A als ‘zijn’ beperkt gerechtigde ging ervan uit dat het door verjaring verkregene mede bezwaard was
Documentgegevens:
P.J. van der Plank, datum 01-05-2016
- Datum
01-05-2016
- Auteur
P.J. van der Plank
- JCDI
JCDI:ADS486720:1
- Vakgebied(en)
Vermogensrecht / Bijzondere onderwerpen
Goederenrecht / Eigendom, bezit en houderschap
Goederenrecht / Verkrijging en verlies
Deze functie is alleen te gebruiken als je bent ingelogd.
De aanwas van het beperkte recht op hetgeen door verjaring verkregen is, is gebaseerd op de regeling omtrent bekrachtiging. Gedurende de verjaringstermijn was A slechts bezitter en geen eigenaar van het (later) door verjaring verkregene, waardoor hij aanvankelijk beschikkingsonbevoegd was om het door verjaring verkregene te bezwaren. Doordat A door verjaring de eigendom verkrijgt, wordt een wettelijk vereiste dat gesteld is voor de vestiging van het recht van erfpacht alsnog vervuld. Voor toepassing van de regel van bekrachtiging geldt echter dat alle onmiddellijk belanghebbenden ervan moeten zijn uitgegaan dat de rechtshandeling (in dezen de bezwaring van het door verjaring verkregene met een recht van erfpacht) geldig was. Dit is enkel het geval indien zowel A als erfpachter (X) ervan uitgingen dat ook hetgeen waarvan A slechts bezitter was bezwaard was met een recht van erfpacht. Indien dit niet het geval is, wordt immers niet voldaan aan de vereisten van bekrachtiging in de zin van art. 3:58 BW.