Einde inhoudsopgave
Het schuldige geheugen? (SteR nr. 32) 2017/III.6.1.3.1
III.6.1.3.1 Reductionisme
mr. D.A.G. van Toor, datum 22-02-2017
- Datum
22-02-2017
- Auteur
mr. D.A.G. van Toor
- JCDI
JCDI:ADS450809:1
- Vakgebied(en)
Strafprocesrecht / Algemeen
Voetnoten
Voetnoten
J.J. Thomson, ‘The Right to Privacy’, Philosophy & Public Affairs 1975, 4, p. 295.
J.J. Thomson, ‘The Right to Privacy’, Philosophy & Public Affairs 1975, 4, p. 310.
J. DeCew, ‘Privacy’, in: E.N. Zalta (ed.), The Stanford Encyclopedia of Philosophy (Fall 2013 Edition), http://plato.stanford.edu/archives/fall2013/entries/privacy/. Zie ook T. Scanlon, ‘Thomson on Privacy’, Philosophy & Public Affairs 1975, 4, p. 315.
J.J. Thomson, ‘The Right to Privacy’, Philosophy & Public Affairs 1975, 4, p. 314.
T. Scanlon, ‘Thomson on Privacy’, Philosophy & Public Affairs 1975, 4, p. 315-322.
J. Rachels, ‘Why Privacy is Important’, Philosophy & Public Affairs 1975, 4, p. 323-333.
J.J. Thomson, ‘The Right to Privacy’, Philosophy & Public Affairs 1975, 4, p. 311.
T. Scanlon, ‘Thomson on Privacy’, Philosophy & Public Affairs 1975, 4, p. 317 en J. Rachels, ‘Why Privacy is Important’, Philosophy & Public Affairs 1975, 4, p. 333.
T. Scanlon, ‘Thomson on Privacy’, Philosophy & Public Affairs 1975, 4, p. 317.
B. Rösler, The Value of Privacy, Cambridge: Polity Press 2005, p. 80.
R.S. Gerstein, ‘Intimacy and Privacy’, Ethics 1978, 1, p. 79, 81.
L.P. Grayson, ‘Education, Technology, and Individual Privacy’, Educational Communication and Technology 1978, 3, p. 196.
Zie over het belang van spontaniteit voor persoonlijkheid ook J.S. Mill. On Liberty, Mineola, NY: Dover Publications Inc. 2002, p. 46-50.
T. Scanlon, ‘Thomson on Privacy’, Philosophy & Public Affairs 1975, 4, p. 321.
J. Rachels, ‘Why Privacy is Important’, Philosophy & Public Affairs 1975, 4, p. 330.
R.S. Gerstein, ‘Intimacy and Privacy’, Ethics 1978, 1, p. 76-81.
Zie ook C. Fried, ‘Privacy: A Moral Analysis’, Yale Law Journal 1968, 3, p. 483-484.
J.H. Reiman, ‘Privacy, Intimacy, and Personhood’, Philosophy & Public Affairs 1976, 1, p. 31.
J.H. Reiman, ‘Privacy, Intimacy, and Personhood’, Philosophy & Public Affairs 1976, 1, p. 33.
Thomsons reductionistische theorie over het recht op respect voor privacy is gebaseerd op de waarneming dat niemand een duidelijk idee lijkt te hebben over wat privacy betekent.1 Om de kern van het recht op respect voor privacy vast te stellen, bekijkt zij veel verschillende voorbeelden waarin een beroep op het recht wordt gedaan. Bij de behandeling van de voorbeelden wordt de vraag gesteld of het beroep op een recht uit het privacycluster ook onder een ander recht is te scharen.2 Thomson beargumenteert van wel, elke ‘privacyinbreuk’ kan volgens haar namelijk worden beschreven zonder het woord privacy te gebruiken. Het martelen om informatie te verkrijgen is een schending van het recht op lichamelijke en geestelijke integriteit. Het bekijken van foto’s van iemand anders (zelfs als die in een kluis lagen) is een schending van het eigendomsrecht. Het bespieden van iemand in een woning is een schending van het recht op onaantastbaar-, of in dit geval beter, onzichtbaarheid van het lichaam en een aantasting van het woongenot. ‘Those rights in the [privacy] cluster are always overlapped by, and can be fully explained by, property rights or rights to bodily security (toevoeging DvT)’.3 We hebben het recht op respect voor privacy dus niet nodig en volgens Thomson is elke simplificatie van het recht ‘well worth having’.4 Dit zou voor de strafvordering betekenen dat veel specifieker moet worden gekeken naar de inbreuk en het bijbehorende mensenrecht. Een betreding of doorzoeking zijn dan inbreuken op het eigendomsrecht en het huisrecht. Het afnemen van lichaamsmateriaal is een aantasting van de lichamelijke integriteit. De vraag is echter of bijvoorbeeld alle (toekomstige) opsporingsmethoden kunnen worden ‘gereduceerd’ van een privacy-inbreuk naar een inbreuk op een ander mensenrecht. Hoe zit het bijvoorbeeld met (naar een bepaald persoon of selecte groep van personen) geopenbaarde informatie waarover de verdachte niet meer kan beschikken? Of met op goederen achtergelaten vingerafdrukken of andere lichamelijke sporen?
In hetzelfde nummer van Philosophy & Public Affairs hebben Scanlon5 en Rachels6 gereageerd op Thomsons artikel. Thomson vereenzelvigt privacy met een schending van een eigendomsrecht of aantasting van de lichamelijke of geestelijke integriteit (en zij lijkt zelfs het bezit over eigen lichaam en geest als een eigendomsrecht te zien). Scanlon is niet overtuigd dat alle privacy-schendingen terug te brengen zijn tot aantasting van eigendomsrechten of aantasting van het lichaam of geest. Als iemand namelijk een badkamer binnenkijkt maar de bewoner is niet aanwezig of heeft zich verstopt, dan wordt geen eigendomsrecht of recht op onaantastbaarheid van het lichaam geschonden. Ook roddels verspreiden over iemand tast deze rechten niet aan. In Thomsons analyse van het recht op privacy zijn dit geen privacyschendingen7 terwijl Scanlon en Rachels beargumenteren dat deze gedragingen weldegelijk een inbreuk op het recht op respect voor privacy maken.8 Scanlon beschrijft privacy als een begrenste ‘zone’ of ‘territorium’ waarin anderen niet zomaar mogen ‘binnentreden’ en waarin de burger zichzelf kan zijn.9 Dit idee – privacy als een zone bestaande uit twee soorten privacyrechten – is mijns inziens essentieel voor het recht op respect voor privacy (in de strafvordering).
In eerste instantie – grotendeels in overeenstemming met Thomsons analyse – bestaat privacy uit de bescherming van eigendommen, het lichaam et cetera. Deze eigen, afgeschermde, exclusieve ruimte rond en van een persoon is noodzakelijk zodat hij beslissingen over het eigen leven kan nemen zonder dwang en op basis van zijn persoonlijkheid, persoonlijke voorkeuren en overtuigingen. Met andere woorden, de afscherming van en de exclusieve beschikking over fysieke, ruimtelijke en informationele privacy maken ‘besluitvormingsprivacy’ mogelijk. Met besluitvormingsprivacy wordt bedoeld ‘a space for manoeuvre in social action that is necessary for individual autonomy’.10 Privacy stelt de burger dus in staat om zelf te beslissen. Het begrip ‘zelf’ heeft hier twee betekenissen. Eerst houdt het in dat de persoon zelfstanding, dus zonder dwingende invloed van anderen, beslissingen neemt. Ten tweede betekent het dat de persoon op basis van zijn eigen opvattingen en voorkeuren beslissingen kan nemen. Het is dan een onafhankelijke en eigen, bij de persoon horende beslissing. Ook als slechts enkele personen worden toegelaten in de persoonlijke ruimte, dan is de kans groot dat zonder (vergaande) dwang en op basis van eigen voorkeuren wordt beslist. Enige vorm van exclusiviteit is belangrijk omdat daarmee onder andere spontaniteit wordt behouden. Spontaniteit is voor het aangaan en onderhouden van relaties11 en de ontwikkeling tijdens het onderwijs12 een essentiële voorwaarde.13 Als anderen (beter: onbekenden) meekijken en -luisteren, passen de meeste mensen hun gedrag aan, aan sociale normen. Zo is het gedrag van verliefden in het openbaar anders dan in de beslotenheid van de woning. Beslotenheid neemt een groot deel van normconformatie en sociale wenselijkheid bij gedrag en uitingen weg. En juist die spontaniteit is een noodzakelijke voorwaarde voor sociale, emotionele en intieme relaties en voor het ontwikkelen en testen van ideeën en opvattingen. Het gevoel niet te worden bekeken, maakt het mogelijk volledig jezelf te zijn omdat sociale, maatschappelijke normen niet of op een andere wijze gelden.
Het recht op respect voor privacy kent derhalve een groter toepassingsbereik dan enkel bescherming van eigendomsrechten. Het recht beschermt ook tegen inmenging in een private zone door onbehoorlijk, onfatsoenlijk gedrag, dat op zichzelf niet per definitie een schending van het eigendomsrecht oplevert.14 Stel dat een onbekende derde zich voegt bij een groep vrienden op een feest. Met aan zekerheid grenzende waarschijnlijkheid past de groep vrienden de gesprekonderwerpen aan door de aanwezigheid van de derde. Persoonlijke gevoelens en relaties worden niet meer ter sprake gebracht. Vergelijk ook hoe een verliefd stel zich gedraagt wanneer ze alleen zijn met wanneer zij in het openbaar zijn of in het gezelschap van anderen. We hebben derhalve een persoonlijke ruimte nodig om een systeem van verschillende, intieme relaties te onderhouden.15 Gerstein heeft Rachels’ verband tussen privacy en intimiteit verder ontwikkeld.16 Volgens hem is spontaniteit een essentieel onderdeel voor intimiteit. Burgers moeten vrij zijn van inmenging in het contact met anderen zodat de spontaniteit niet verloren gaat. Inmenging, ook in het geval van observatie, zorgt er volgens Gerstein voor dat mensen hun gedrag aanpassen om bepaald (sociaal wenselijk) gedrag te vertonen.17 Hierdoor vindt persoonlijk contact plaats met minder of geen spontaniteit, waardoor een groot deel van de intimiteit verloren gaat. Naast dat spontaniteit belangrijk is voor intimiteit, is het delen van vertrouwelijke, persoonlijke informatie gewichtig voor intimiteit.
‘Only because we are able to withhold personal information about […] ourselves from the rest of the world, can we give out the personal information to friends and/or lovers, that constitute intimate relationships.’18
Als de hele wereld, elke burger, alles van mij weet, heb ik geen persoonlijke informatie meer te bieden aan anderen. En juist die persoonlijke informatie is essentieel voor intieme relaties. Reiman biedt nog een andere visie op het belang van het recht op respect voor privacy voor intimiteit. Het gaat volgens hem niet om het delen van informatie die anderen niet hebben als zodanig, maar om ‘the context of caring’ dat het delen van informatie significant maakt.19 De wederkerige interesse om verleden, heden en toekomst te delen en om ervaringen uit te wisselen, is essentieel voor intimiteit.
Al deze kritieken op Thomson hebben gemeen dat het recht op respect voor privacy niet enkel als een eigendomsrecht over persoonlijke informatie en het lichaam wordt gezien. Dit betekent dat niet enkel strafvorderlijke middelen die leiden tot het verkrijgen van informatie die een eigendomsrecht, de lichamelijke integriteit of het huisrecht beperken een inbreuk op het recht op respect voor privacy opleveren. Elke handeling waardoor de autoriteiten de ‘zone van privacy’ van een persoon ‘betreden’, is een inbreuk op het recht op respect voor privacy, ook wanneer het eigendomsrecht niet wordt beperkt doordat geen in beslag te nemen goederen worden gevonden. Daarnaast levert het ook een inbreuk op de privacy op als de besluitingsprivacy wordt beperkt, bijvoorbeeld bij het bepalen met wie welke informatie wordt gedeeld. Ook al wordt informatie over of van de verdachte bij een derde aangetroffen, dan betreft het nog steeds de privacy van de verdachte. Hij heeft niet zelfstandig en onafhankelijk kunnen beslissen. (Al is het natuurlijk wel de vraag of deze inbreuk dan ook een schending oplevert.)