Einde inhoudsopgave
Uitbesteding in de financiële sector (O&R nr. 88) 2015/2.5.5.2
2.5.5.2 Nederlandse Parlementaire Geschiedenis
mr. drs. P. Laaper, datum 31-08-2015
- Datum
31-08-2015
- Auteur
mr. drs. P. Laaper
- JCDI
JCDI:ADS594100:1
- Vakgebied(en)
Financieel recht / Bank- en effectenrecht
Financieel recht / Financieel toezicht (juridisch)
Voetnoten
Voetnoten
Ik zou overigens menen dat het niet alleen om het toezicht gaat, maar vooral om het met dat toezicht te bereiken doel: de bescherming van de pensioengerechtigden. Onder de Wft gaat het overigens niet alleen ombescherming van beleggers, maar ook om de adequate functionering van de financiële markten (Grundmann-van de Krol 2012, p. 28-30).
Joosen 2009, p. 469-470. Zijn bijdrage ziet op beleggingsondernemingen en stamt al uit 2009. In de parlementaire geschiedenis op de Pensioenwet worden evenwel geen andere voorbeelden aangehaald.
Art. 13, lid 2, Uitvoeringsrichtlijn MiFID zondert bepaalde taken expliciet uit van het bereik van de uitbestedingsregels uit deze richtlijn.
Zie par. 2.5.3.3.
In de parlementaire geschiedenis is nog geopperd dat, hoewel de inwinning van (juridisch) advies geen uitbesteding oplevert, dit anders kan liggen bij een rechtsbijstandverzekeraar die in natura uitkeert (Kamerstukken II, 2005-2006, 29708, nr. 51 (Amendement Van Egerschot-DeHaan). Ook dan is er naar mijn mening geen sprake van uitbesteding. Zie par. 2.5.8.1.Joosen 2009, p. 470 plaatst nog een kritische noot bij het oordeel dat de levering van marktinformatie (aan beleggingsondernemingen) geen “wezenlijke” activiteit is. Hij wijst daarbij op de nauwe betrokkenheid van beleggingsondernemingen en marktexploitanten bij de prijsvorming op financiële markttransacties. Een gebrekkige dienstverlening aan de beleggingsonderneming zou dan van grote invloed kunnen zijn op de adequate werking van de financiële markt. Zijn bezwaar deel ik niet. De productie van marktinformatie is geen “eigen” activiteit van een beleggingsonderneming, zodat er ook geen sprake is van uitbesteding. Dat is niet anders wanneer (het gebrek aan) de kwaliteit van de ingekochte informatie een bedreiging is voor het functioneren van de financiële markt. Als dat inderdaad het geval is, dan ligt het op de weg van de regelgever om deze (financiële) dienstverleners onder toezicht te stellen.
Bij ondersteunende bedrijfsprocessen ligt het minder voor de hand dat het toezicht geraakt wordt,1 zodat een nadere afbakening inderdaad zinvol is. Uit de Parlementaire Geschiedenis haalt Joosen2 de volgende voorbeelden van niet-relevante processen: facilitaire werkzaamheden, catering, schoonmaakwerkzaamheden, de levering (inkoop) van gestandaardiseerde producten zoals kantoorinventaris, de levering van marktinformatie (met inbegrip van markt- en koersinformatiediensten), de inhuur van externen zoals uitzendkrachten en gedetacheerde ICT’ers, de inwinning van (al dan niet juridisch) advies, opleiding van personeel, factureringsdiensten, beveiliging. Deze voorbeelden vinden hun oorsprong deels in de Rob en deels in de Uitvoeringsrichtlijn MiFID.3
Deze voorbeelden leren ons echter weinig over de scheidslijn tussen wezenlijke en niet-wezenlijke (ondersteunende) bedrijfsprocessen. De voorbeelden zien ook niet op deze scheidslijn. De inhuur van externen zoals uitzendkrachten en gedetacheerde ICT’ers betreft geen “derden”.4
De overige werkzaamheden zoals catering, opleiding van personeel, beveiliging van kantoorpanden, enzovoort zijn activiteiten die geen deel uitmaken van de bedrijfsvoering van een pensioenfonds of financiële onderneming.5