Natrekking door onroerende zaken
Einde inhoudsopgave
Natrekking door onroerende zaken (O&R nr. 94) 2016/7.7:7.7 Bekrachtiging en de rechten van derden (art. 3:58 lid 3 BW)
Natrekking door onroerende zaken (O&R nr. 94) 2016/7.7
7.7 Bekrachtiging en de rechten van derden (art. 3:58 lid 3 BW)
Documentgegevens:
P.J. van der Plank, datum 01-05-2016
- Datum
01-05-2016
- Auteur
P.J. van der Plank
- JCDI
JCDI:ADS481905:1
- Vakgebied(en)
Vermogensrecht / Bijzondere onderwerpen
Goederenrecht / Eigendom, bezit en houderschap
Goederenrecht / Verkrijging en verlies
Toon alle voetnoten
Voetnoten
Voetnoten
A.C. van Schaick, ‘De terugwerkende kracht van de verkrijgende verjaring’,WPNR 2011/6887.
A.C. van Schaick, ‘De terugwerkende kracht van de verkrijgende verjaring’, WPNR 2011/6887.
Deze functie is alleen te gebruiken als je bent ingelogd.
Tegen het bovenstaande zou men in kunnen brengen dat op grond van art. 3:58 lid 3 BW de bekrachtiging niets af doet aan het hypotheekrecht dat buurman B vestigde, zoals Van Schaick stelt.1 Dit onderbouwt hij met
een beroep op art. 3:58 lid 3 BW, dat bepaalt:
“Inmiddels verkregen rechten van derden behoeven aan bekrachtiging niet in de weg te staan, mits zij worden geëerbiedigd.”
Naar mijn mening is dit niet in lijn met de strekking van art. 3:58 lid 3 BW. Uit de Memorie van Toelichting bij dit derde lid blijkt:
“Het nieuwe derde lid beoogt buiten twijfel te stellen dat bekrachtiging niet reeds uitgesloten behoeft te zijn op de enkele grond dat een derde inmiddels een met de rechtshandeling onverenigbaar recht heeft verkregen.”2
Gesteld wordt dat bekrachtiging met handhaving van rechten van derden (te denken aan een beperkt recht, huur of een beslag) niet uitgesloten dient te zijn, en dat de onderhavige oplossing met voorzichtigheid moet worden toegepast.
“Met het oog daarop is een soepele redactie gekozen die ruimte laat om met de omstandigheden van het geval rekening te houden.”3
Uit het Voorlopig Verslag blijkt dat het opnemen van lid 3 in het huidige art. 3:58 BW de voorwaarde dat alle belanghebbenden de rechtshandeling als geldig hebben aangemerkt beoogt te relativeren, in die zin dat bekrachtiging toch plaats kan vinden indien een belanghebbende die de rechtshandeling niet als geldig aangemerkt heeft geen nadeel ondervindt van de bekrachtiging. Dit is het geval indien de rechten van deze derden geëerbiedigd zijn.4
Voor toepassing van het derde lid van art. 3:58 BW moet derhalve sprake zijn van:
Een belanghebbende die de rechtshandeling niet als geldig heeft aangemerkt;
Wiens recht geëerbiedigd is.
Dit ziet derhalve niet op de situatie zoals in het voorbeeld van buurman B, nu van beide bovenstaande vereisten geen sprake is. Nu terugwerkende kracht toekomt aan bekrachtiging en art. 3:58 lid 3 BW er niet aan in de weg staat dat het hypotheekrecht dat A vestigde gedurende de verjaringstermijn, zich mede uitstrekt over hetgeen door verjaring verkregen werd, behoeft verkrijging door verjaring derhalve geen terugwerkende kracht te hebben. Hierdoor vormt art. 3:58 lid 3 BW geen argument voor het aannemen van een ex tunc werking van verkrijging door verjaring, zoals Van Schaick stelt.5