Einde inhoudsopgave
Toerekening van kennis aan rechtspersonen (O&R nr. 98) 2017/11.6.7
11.6.7 Functionaris die geen bestuurder is, houdt handelen verborgen
mr. B.M. Katan, datum 01-01-2017
- Datum
01-01-2017
- Auteur
mr. B.M. Katan
- JCDI
JCDI:ADS597363:1
- Vakgebied(en)
Ondernemingsrecht / Algemeen
Voetnoten
Voetnoten
Een uitzondering daarop vormt de terugvordering van bonussen van bestuurders op grond van art. 2:135 lid 8 BW. Bij het instellen van die rechtsvordering wordt de vennootschap vertegenwoordigd door de rvc, de niet-uitvoerende bestuurders of een bijzondere vertegenwoordiger die is aangewezen door de ava. Dit artikellid bestond overigens nog niet toen de verlengingsregeling van kracht werd.
Een onderzoek van de eerste circa 160 uitspraken die verschenen na invoering van de cumulatieve zoektermen ‘verjaring’, ‘aanvang’, ‘B.V.’, ‘schade’ en ‘aansprakelijke persoon’ in Rechtsorde.nl leverde geen enkele uitspraak op waarin een individuele functionaris werd benoemd, anders dan een enig bestuurder en enig aandeelhouder in bijvoorbeeld Rb Amsterdam 28 maart 2012, ECLI:NL:RBAMS:2012:BW1180.
Zie voetnoot 1221.
Ktr Amsterdam 27 september 1994, JAR 1994/226, r.o. 6 (verjaringstermijn start op moment dat werknemer fraude toegeeft); Hof Amsterdam 10 mei 2011, ECLI:NL:GHAMS:2011:BQ4563, r.o. 4.11. Zie ook Hof ’s-Hertogenbosch 11 maart 2008, ECLI:NL:GHSHE:2008:BC6601, r.o. 3.6.1-3.6.3 (fraude gebleken bij controlewerkzaamheden na het vertrek van de functionaris in verband met de overdracht van de werkzaamheden aan zijn opvolgster; oordeel is overigens mede gebaseerd op het feit dat functionaris zijn stelling dat de werkgever de fraude niet pas na zijn vertrek, maar reeds voordien zou hebben ontdekt, niet heeft onderbouwd). Zie daarnaast Hof Amsterdam 13 december 2011, RAR 2012/159, waarin een vordering wordt toegewezen van de werkgever jegens de werknemer tot vergoeding van kosten voor vaststelling van schade en aansprakelijkheid, bestaande uit een onderzoek naar de fraude door een recherchebureau. Indien de kennis van de functionaris zou worden toegerekend aan de rechtspersoon, zou een onderzoek niet nodig zijn geweest.
Begründung des Regierungsentwurf 20 december 2006 (Memorie van Toelichting) p. 77 (http://dip21.bundestag.de/dip21/btd/16/039/1603945.pdf); Dörner, Prölls/Martin 2015, Rn. 9 bij § 70 VVG.
HR 20 november 1990, NJ 1991/238.
R.o. 5.2. Zie ook de lezenswaardige conclusie van A-G Leijten: “Het zou wel bijzonder ironisch aandoen wanneer dit niet het strafbaar feit oplevert van art. 225 lid 2 Sr […]. Om Jozef Esser te parafraseren: zulk een waanzin mag men de wetgever, optredend onder normale omstandigheden niet toedichten.”
Asser/Maeijer, Van Solinge & NieuweWeme 2-II* 2009/513 achten dit voor bestuurders geldende criterium ook van toepassing op commissarissen.
Vgl. HR 11 juni 1999, NJ 1999/586 (Pluimveeslachterij). Het hof had onder meer geoordeeld dat de bestuurder niet erop bedacht behoefde te zijn zichzelf aansprakelijk te stellen of een stuitingshandeling te verrichten. Het liet daarbij mede een rol spelen dat met de inwerkingtreding van het nieuwe BW per 1 januari 1992 de verjaringstermijnen aanzienlijk waren bekort (de schade was toegebracht op 2 juni 1987). De HR sanctioneerde dit oordeel.
565. De verlengingsregeling van art. 3:320 jo 3:321 lid 1 sub d BW geldt uitsluitend voor bestuurders van rechtspersonen. Indien een andere functionaris schade aan de rechtspersoon toebrengt en dit feit zich pas meer dan vijf jaar na de gebeurtenis openbaart, bestaat geen grond voor verlenging van de verjaring van de rechtsvordering van de rechtspersoon op de functionaris in kwestie. Waarom voor andere functionarissen geen grond voor verlenging in de wet is opgenomen, wordt uit de wetsgeschiedenis niet duidelijk. Vermoedelijk is alleen aan bestuurders gedacht omdat het bestuur de rechtspersoon vertegenwoordigt en de rechtspersoon uiteindelijk slechts door of met volmacht van het bestuur een rechtsvordering kan instellen of de verjaring kan stuiten (vgl. het citaat bij randnummer 549: “hij alleen”).1
Met die gedachte zou stroken dat de verjaringstermijn van rechtsvorderingen tot schadevergoeding van rechtspersonen in het algemeen – of de wederpartij nu een functionaris is of een derde – pas start wanneer het bestuur kennis krijgt van de schade en de aansprakelijke persoon, of mogelijk op het moment dat het bestuur die informatie vanuit de organisatie had behoren te ontvangen. Voor de start van de verjaringstermijn van de rechtsvordering op een derde is echter niet vereist dat het bestuur kennis heeft gekregen van de schade en de aansprakelijke persoon. Daarvoor volstaat, zo betoogde ik in par. 7.5.3, de kennis van een lager geplaatste functionaris die voldoende betrokken is bij (het te beoordelen aspect van) de rechtsverhouding tussen rechtspersoon en schuldenaar. Aanwijzingen dat daarover anders wordt gedacht, zijn er niet. Literatuur op dit vlak ontbreekt. In vonnissen en arresten zal men zelden vermeld zien staan welk individu binnen een rechtspersoon kennis droeg van de schade en de aansprakelijke persoon.2 Doorgaans wordt gerefereerd aan een rapport dat de rechtspersoon heeft ontvangen of een brief die de rechtspersoon heeft verstuurd, zonder specificatie van functionarissen.3 Enig oordeel of enige stelling dat de verjaringstermijn pas start wanneer de desbetreffende informatie aan het bestuur is of had moeten worden doorgeleid, ben ik niet tegengekomen, laat staan enige overweging over de tijd die een organisatie mag nemen om dergelijke informatie door te leiden.
566. Indien ervan mag worden uitgegaan dat de rechtsvordering tot schadevergoeding van de rechtspersoon op een derde verjaart vijf jaar na aanvang van de dag volgende op die waarop de betrokken functionaris bekend is geworden met de schade en de aansprakelijke persoon, geldt dat dan ook voor de rechtsvordering van de rechtspersoon op de frauderende functionaris zelf? De schaarse jurisprudentie op dit vlak (beschouwingen in de literatuur heb ik niet aangetroffen) gaat ervan uit dat de verjaringstermijn pas start wanneer de fraude door een andere functionaris wordt ontdekt of in een onderzoeksrapport wordt vastgesteld.4 Dat acht ik terecht. Sterker nog: wat mij betreft zou het onaanvaardbaar zijn indien de verjaring al zou starten met de kennis van de fraudeur. In de wetsgeschiedenis van het Duitse verzekeringsrecht is over deze problematiek een opmerking te vinden. Volgens de Duitse regering wordt de kennis van een verzekeringsagent niet toegerekend aan de verzekeraar indien verzekeringnemer en verzekeringsagent hebben samengespannen tegen de verzekeraar.5
In het strafrecht heeft een frauderende werknemer wel eens aangevoerd dat met haar ook haar werkgever van haar fraude wist.6 Het hoofd van de financiële administratie van een woningbouwvereniging verwerkte valse nota’s in de boekhouding, wetend dat die vals waren en dat daarop uitbetaling door de vereniging zou volgen. De werknemer werd vervolgd voor valsheid in geschrifte. Zij betoogde dat geen sprake kan zijn van het gebruiken van een vals geschrift waaruit nadeel kan ontstaan, als de gebruiker bekend is met de valsheid van het geschrift. Nu de werknemer handelde in de uitoefening van haar functie, diende haar kennis te worden te worden toegerekend aan de woningbouwvereniging. Die vlieger ging niet op: de Hoge Raad oordeelde dat toerekening slechts plaatsvindt indien de rechtspersoon dader is, niet indien hij slachtoffer is.7 Hoewel in dit arrest slechts strafrechtelijke toerekening aan de orde was, lijkt mij dat indien op grond van dezelfde feiten geprocedeerd was over de vordering tot schadevergoeding van de woningbouwvereniging op het hoofd van de financiële administratie, de kennis van laatstgenoemde niet aan de woningbouwvereniging zou zijn toegerekend.
567. De juiste benadering acht ik in dit type situaties wederom dat de kennis van de functionaris niet wordt toegerekend aan de rechtspersoon. Bij andere functionarissen dan bestuurders behoeft dit standpunt een minder uitgebreide verdediging, nu op hen geen wetsartikel van toepassing is dat veronderstelt dat de verjaringstermijn aanvangt wanneer de functionaris in kwestie de relevante wetenschap verkrijgt. Drie van de andere in par. 11.6.3 besproken oplossingen, te weten de derogerende werking van redelijkheid en billijkheid, de ruime interpretatie van het Saelman-criterium en de ruime interpretatie van art. 3:321 lid 1 sub f BW en hebben wat mij betreft dezelfde merites als bij bestuurders. Dat geldt niet voor de laatste oplossing die ik ten aanzien van bestuurders besprak, te weten aansprakelijkheid voor het niet namens de rechtspersoon aansprakelijk stellen van zichzelf. Anders dan een bestuurder zal een lagere functionaris lang niet altijd bevoegd zijn om namens de rechtspersoon de verjaring te stuiten. Voor het nalaten daarvan kan hij dan niet aansprakelijk zijn. De functionaris zou in theorie wellicht aansprakelijk kunnen zijn voor het nalaten om zijn leidinggevende of het bestuur tijdig te informeren dat de rechtspersoon de verjaring tegen hem zou moeten stuiten. Is de functionaris werknemer, dan zal hij voor dit nalaten slechts aansprakelijk kunnen worden gehouden indien hij daarmee opzettelijk of bewust roekeloos schade aan de werkgever heeft toegebracht (art. 7:661 BW). Is de functionaris commissaris, dan moet het nalaten ernstig verwijtbaar zijn.8 Dit zijn hoge drempels. Veel werknemers zullen vermoedelijk niet op de hoogte zijn van de verjaringsregeling van titel 11 van boek 3 BW en alleen al om die reden de verjaring niet opzettelijk of bewust roekeloos laten intreden.9 Hoe dan ook acht ik deze oplossing omslachtig en vergezocht. De kennis van de functionaris in kwestie moet eenvoudigweg niet aan de rechtspersoon worden toegerekend.