Toerekening van kennis aan rechtspersonen
Einde inhoudsopgave
Toerekening van kennis aan rechtspersonen (O&R nr. 98) 2017/11.6.1:11.6.1 Inleiding
Toerekening van kennis aan rechtspersonen (O&R nr. 98) 2017/11.6.1
11.6.1 Inleiding
Documentgegevens:
mr. B.M. Katan, datum 01-01-2017
- Datum
01-01-2017
- Auteur
mr. B.M. Katan
- JCDI
JCDI:ADS593844:1
- Vakgebied(en)
Ondernemingsrecht / Algemeen
Deze functie is alleen te gebruiken als je bent ingelogd.
542. Wanneer een functionaris een schadeveroorzakende gedraging verborgen houdt voor collega’s, is binnen de rechtspersoon niemand behalve de heimelijk opererende functionaris daarvan op de hoogte. De vraag is of een dergelijke verzwijging door de functionaris meebrengt dat de rechtspersoon zich kan beroepen op onbekendheid met diens handelen, in het bijzonder wanneer moet worden beoordeeld of de rechtsvordering van de rechtspersoon op de functionaris is verjaard. Of heeft mét de functionaris ook de rechtspersoon weet van de schade en de aansprakelijke persoon? Die vraag beantwoord ik in deze paragraaf. Ik zal het heimelijk handelen van de functionaris hierna ten behoeve van de leesbaarheid veelal aanduiden als ‘fraude’, maar het hoeft niet altijd te gaan om strafbare feiten of kunstgrepen. Ook het toe-eigenen van een corporate opportunity kan eronder vallen,1 evenals het bewust roekeloos veroorzaken van schade aan eigendommen van de rechtspersoon en het verzwijgen van het eigen aandeel daarin.
De vraag of de kennis van een frauderende functionaris heeft te gelden als kennis van de rechtspersoon kan, in de relatie tussen de rechtspersoon en een derde, worden beantwoord aan de hand van de regels die eerder in dit hoofdstuk zijn geschetst.2 Dat geldt echter niet voor de vraag wanneer de rechtsvordering van de rechtspersoon op de frauderende functionaris verjaart. Wanneer wordt de rechtspersoon bekend met zowel de schade als de aansprakelijke persoon (art. 3:310 BW), indien de functionaris die over deze informatie beschikt, deze verborgen houdt voor zijn collega’s? Wanneer wordt de rechtspersoon zowel bekend met het bestaan van zijn vordering uit hoofde van onverschuldigde betaling als met de persoon van de ontvanger (art. 3:309 BW)? Wanneer wordt de rechtspersoon bekend met de tekortkoming, zodat de verjaringstermijn voor de rechtsvordering tot ontbinding start (art. 3:311 BW)? Deze kwestie verdient afzonderlijke aandacht, in het bijzonder als gevolg van de regeling inzake de verlenging van de verjaringstermijn op grond van art. 3:320 jo 3:321 lid 1 sub d BW en de wijze waarop de Hoge Raad die regeling (hierna ook: de verlengingsregeling) uitlegt. In het hiernavolgende behandel ik eerst de verjaring van de rechtsvordering van de rechtspersoon op de bij de fraude betrokken bestuurder (par. 11.6.3 e.v.) en daarna die op andere bij de fraude betrokken functionarissen (par. 11.6.7). Mijn bevindingen en opvattingen kunnen alleen in het juiste perspectief worden bezien, indien duidelijk is wiens kennis in het algemeen de verjaringstermijn van de rechtsvordering van een rechtspersoon doet starten. Dat onderzoek ik in par. 11.6.2.