Einde inhoudsopgave
Toerekening van kennis aan rechtspersonen (O&R nr. 98) 2017/11.6.2
11.6.2 Intermezzo: wiens kennis doet de verjaringstermijn starten?
mr. B.M. Katan, datum 01-01-2017
- Datum
01-01-2017
- Auteur
mr. B.M. Katan
- JCDI
JCDI:ADS595009:1
- Vakgebied(en)
Ondernemingsrecht / Algemeen
Voetnoten
Voetnoten
Ten behoeve van de leesbaarheid refereer ik niet telkens ook aan de feiten waarmee de schuldeiser bekend moet zijn om de verjaringstermijnen te doen starten voor rechtsvorderingen uit hoofde van onverschuldigde betaling (art. 3:309 BW) of tot ontbinding (art. 3:311 BW).
Zie bijvoorbeeld HR 24 maart 2006, JOR 2006/284 (Geldermalsen/Plameco); Rb Groningen 17 april 2008, ECLI:NL:RBGRO:2008:BD0479; HR 9 oktober 2009, NJ 2012/193 (Stadskanaal/Deloitte); Rb Rotterdam 16 februari 2011, S&S 2011/109 (Guangzhou/Nedspice); HR 14 november 2014, NJ 2015/207 (Allianz/W).
Zie daarover par. 7.5.3.
Zie daarover par. 9.12.2.
Dit persoonlijk belang hoeft niet altijd financieel te zijn, maar kan ook affectief van aard zijn (‘indruk maken op zijn vriendinnetje’). Ook dat is geen valide reden om het handelen te verbergen. Uitzonderlijke situaties zoals die waarin de functionaris de fraude onder bedreiging heeft gepleegd, laat ik buiten beschouwing.
Vgl. par. 9.13.2.
Zie par. 9.4 voor uitleg over de reden om de vraag naar toerekening van kennis in geval van kennisversplintering te formuleren als ‘Komt de wederpartij naar verkeersopvattingen een beroep toe op de kennis van de wetende functionaris?’
Vgl. Hof Den Haag 22 december 2015, ECLI:NL:GHDHA:2015:3515, r.o. 82: “De wetenschap van […] de statutair bestuurder van PWS die in privé meedeelde [in de opbrengst van de fraude, BK] en aldus […] tot de groep behoorde die onrechtmatig handelde jegens PWS, kan [appellant] c.s. in dit verband niet aan PWS tegenwerpen”.
Vgl. HR 15 februari 1991, NJ 1991/493 (Leukemie). Zie daarover par. 3.7 en 7.10. Zie in meer detail over de verhouding tussen het niet-toerekenen van kennis en het niet-toepassen van verjaring wegens onaanvaardbaarheid naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid par. 11.6.4.
543. De vraag die ik in deze paragraaf in wezen stel, is of, indien de functionaris met kennis van de schade en de aansprakelijke persoon1 deze informatie verborgen houdt voor zijn collega’s, de verjaringstermijn op hetzelfde moment eindigt als indien de informatie niet verborgen was gebleven. Het moment waarop de verjaringstermijn eindigt, hangt mede af van het moment waarop die termijn start. Helaas is onduidelijk wanneer de verjaringstermijn van een rechtsvordering van een rechtspersoon normaal gesproken start. Dat wil zeggen: niet uitgemaakt is welk individu binnen de rechtspersoon kennis moet hebben van zowel de schade als de aansprakelijke persoon om de verjaringstermijn te doen starten. Jurisprudentie waarin dit onderwerp aan de orde komt, is schaars en doorgaans niet toegespitst op deze vraag. In rechtspraak over verjaring van de rechtsvordering van een rechtspersoon stelt de rechter vaak niet eens vast welk individu binnen de rechtspersoon de relevante feiten kende.2 De enige passage in de literatuur die ik hierover heb gevonden is een voor mij moeilijk te duiden opmerking van Van Schaick inzake de toerekening van kennis van een gevolmachtigde.3 In par. 7.5.3 en 7.7.3 betoogde ik dat de verjaringstermijn in elk geval start zodra een functionaris die bevoegd is om namens de rechtspersoon de rechtsvordering in te stellen of deze anderszins te stuiten, over de relevante kennis beschikt. Is de relevante kennis uitsluitend aanwezig bij een andere functionaris, dan moet aan de hand van de regels over kennisversplintering worden beoordeeld of de kennis van de wetende functionaris in het kader van de verjaring geldt als kennis van de rechtspersoon (zie par. 9.7 e.v.).
544. In de verhouding tussen de rechtspersoon en een derde is, in geval van fraude, de voorzienbare relevantie van de informatie een bepalende omstandigheid.4 De voorzienbare relevantie van de informatie over de fraude zal voor de (wetende en) frauderende functionaris altijd hoog zijn. Hij heeft geen valide reden om zijn kennis over de schade en de aansprakelijke persoon niet door te leiden aan de functionaris die bevoegd is om namens de rechtspersoon een rechtsvordering in te stellen, anders dan de bescherming van zijn persoonlijke belang als fraudeur.5 Of de kennis van de frauderende functionaris wordt toegerekend aan de rechtspersoon, zal veelal afhangen van het antwoord op de vraag of de wederpartij er rekening mee behoorde te houden dat de fraudeur zijn kennis intern niet zou delen.6 In de verhouding tussen de rechtspersoon en een onwetende derde zal de kennis van de fraudeur al gauw aan de rechtspersoon worden toegerekend. Ik illustreer dit met een verzonnen voorbeeld. Stel dat de fraudeurs zich vergissen en een deel van de gelden van de rechtspersoon die zij heimelijk wegsluizen, overboeken naar de bankrekening van een niet-betrokken derde. Dit levert jegens de derde een vordering op uit hoofde van onverschuldigde betaling. Ontdekt de leiding van de rechtspersoon de fraude pas meer dan vijf jaar later, dan is de rechtsvordering op de derde tot terugbetaling van hetgeen zonder rechtsgrond is ontvangen, in beginsel verjaard. In de relatie tussen de rechtspersoon en de onwetende derde komt het voor risico van de rechtspersoon dat de frauderende functionaris ervoor heeft gekozen de informatie over het bestaan van de vordering en de persoon van de ontvanger niet door te leiden. Zit de ontvanger echter zelf in het complot, dan kan dit anders liggen. In dat geval wist de ontvanger immers – en heeft hij er de hand in gehad – dat die informatie niet werd doorgeleid aan iemand die namens de rechtspersoon een rechtsvordering jegens hem zou (willen) instellen. Hij kan zich er naar verkeersopvattingen dan niet op beroepen dat de informatie niet bij dat individu terecht is gekomen.7,8 Eventueel kan de ontvanger ook op grond van de derogerende werking van de redelijkheid en billijkheid een beroep op verjaring worden ontzegd.9
545. In de verhouding tussen de rechtspersoon en de frauderende functionaris zit de wederpartij altijd zelf in het complot. Vooral wanneer de frauderende functionaris een bestuurder is, levert dat complicaties op. Voor de verjaring van rechtsvorderingen van de rechtspersoon op zijn bestuurder geldt namelijk een bijzonder regime. In de subparagrafen hierna bespreek ik dat regime en de consequenties daarvan voor de toerekening van de kennis van de bestuurder aan de rechtspersoon.