Einde inhoudsopgave
Het uniciteitsbeginsel in het goederenrecht (O&R nr. 92) 2016/7.3.1
7.3.1 Inleiding
V. Tweehuysen, datum 31-01-2016
- Datum
31-01-2016
- Auteur
V. Tweehuysen
- JCDI
JCDI:ADS453242:1
- Vakgebied(en)
Goederenrecht / Algemeen
Voetnoten
Voetnoten
Asser/Bartels & Van Mierlo 3-IV 2013, nr. 72; Asser/Beekhuis, Mijnssen & De Haan 1985, nr. 117-118; Asser/Van Mierlo & Van Velten 3-VI* 2010, nr. 181; Stein, GS Vermogensrecht, art. 3:254 BW, aant. A, 8 (online, laatst bijgewerkt op 20 februari 2015); Parl. Gesch. Boek 3, p. 86-89, 785.
Vgl. Stein, GS Vermogensrecht, art. 3:254 BW, aant. 27 (online, laatst bijgewerkt op 20 februari 2015). Het is overigens maar de vraag of de schuldeiser hiertoe zonder een dergelijk beding niet gerechtigd zou zijn, zie Stein, GS Vermogensrecht, art. 3:254 BW, aant. 28 (online, laatst bijgewerkt op 20 februari 2015).
Asser/Bartels & Van Mierlo 3-IV 2013, nr. 72; Asser/Beekhuis, Mijnssen & De Haan 1985, nr. 117-118; Asser/Japikse 7-I 2004, nr. 33; Asser/Van Mierlo & Van Velten 3-VI* 2010, nr. 181; Stein, GS Vermogensrecht, art. 3:254 BW, aant. A, 8 (online, laatst bijgewerkt op 20 februari 2015); Kortmann 1988, p. 711; Parl. Gesch. Boek 3, p. 86-89, 785; Ploeger 1997, nr. 52.
194. Onder het oude BW bestonden de zogenoemde hulpzaken; roerende zaken die door hun bestemming onroerend zijn geworden. In art. 563 BW (oud) werd bepaald dat bepaalde zaken door bestemming onroerend konden worden (hulpzaken). Thans komt deze categorie onroerende zaken niet meer voor in het Nederlandse recht, maar in art. 3:254 BW zijn de sporen van deze regeling uit het oude BW nog terug te vinden. In dat artikel wordt bepaald dat indien hulpzaken stil zijn verpand voor dezelfde vordering als waarvoor het hypotheekrecht is gevestigd, bedongen kan worden dat de schuldeiser bevoegd is deze zaken tezamen met de onroerende zaak en overeenkomstig de regels van het hypotheekrecht te executeren.1
Onder het huidige Nederlandse recht is het duidelijk dat het hier niet gaat om één zekerheidsrecht op twee objecten. Uit art. 3:254 BW blijkt immers dat de hulpzaken afzonderlijk dienen te worden verpand. Het artikel maakt slechts mogelijk dat de executie gezamenlijk kan geschieden.2 Bij de zaken die door hun bestemming onroerend waren uit het oude BW kon echter de vraag gesteld worden of het hypotheekrecht als één geheel op zowel de onroerende zaak als de roerende hulpzaken rustte. Dat zou een inbreuk op het uniciteitsbeginsel inhouden.
In het Franse recht bestaan de goederen die door bestemming onroerend geworden zijn nog steeds (immeubles par destination) en daar doet zich dan ook dezelfde vraag voor. Ook in het Duitse recht bestaat een daarmee te vergelijken type zaak, het Zubehör (toebehoren). In het Nederlandse recht komen de hulpzaken nog terug in de vorm van het toebehoren bij schepen en appartementsrechten.3 Karakteristiek voor het toebehoren is dat het valt onder het hypotheekrecht dat op de hoofdzaak is gevestigd en dat beschikkingen die de hoofdzaak treffen, ook het toebehoren treffen. Dat roept de vraag op of daarbij sprake is van een uitzondering op het uniciteitsbeginsel. In deze paragraaf beantwoord ik deze vraag, waarbij ik eerst inga op het Franse en het Duitse recht en ten slotte op het Nederlandse recht.