Einde inhoudsopgave
Het uniciteitsbeginsel in het goederenrecht (O&R nr. 92) 2016/7.3.3
7.3.3 Zubehör
V. Tweehuysen, datum 31-01-2016
- Datum
31-01-2016
- Auteur
V. Tweehuysen
- JCDI
JCDI:ADS452054:1
- Vakgebied(en)
Goederenrecht / Algemeen
Voetnoten
Voetnoten
De verkeersopvatting is hierbij beslissend. In §98 BGB worden enkele gevallen van toebehoren genoemd die in ieder geval bestemd zijn de hoofdzaak te dienen, namelijk de inventaris van een als industrieel bedrijf of agrarisch bedrijf ingerichte onroerende zaak. MünchKommBGB/Stresemann 2012 §97 nr. 15, 21-22, 26, 30; Staudinger/Jickeli & Stieper 2012 §97 nr. 9, 24.
MünchKommBGB/Stresemann 2012 §97 nr. 4; Staudinger/Jickeli & Stieper 2012 §97 nr. 7, 10-11.
MünchKommBGB/Stresemann 2012 §97 nr. 10-13; Staudinger/Jickeli & Stieper 2012 §97 nr. 11.
Zie hierover paragraaf 2.3.3.
Wieling 2007, p. 37-38.
Dit is een recht dat te vergelijken is met de kwalitatieve verplichting in het Nederlandse recht; het is een beperkt recht dat dezelfde inhoud kan hebben als een recht van erfdienstbaarheid, maar is aan actieve zijde niet gekoppeld aan de hoedanigheid van eigenaar van het heersende erf, maar aan een persoon, zie de tekst van §1090 Abs. 1 BGB.
MünchKommBGB/Stresemann 2012 §97 nr. 42, 44, 46; Staudinger/Jickeli & Stieper 2012 §97 nr. 32.
MünchKommBGB/Stresemann 2012 §97 nr. 49; Staudinger/Jickeli & Stieper 2012 §97 nr. 32.
Furche 2005, p. 235-237; Grädler 2012, p. 178-179; Wieling 2007, p. 37-38; Wolf 1965, p. 29.
Vgl. Kortmann 1988, p. 712.
MünchKommBGB/Stresemann 2012 §97 nr. 46; Wolf 1965, p. 29.
De teksten van §1031 BGB over vruchtgebruik, §1093 Abs. 1 S. 2 jo. 1031 BGB over de beperkte persoonlijke dienstbaarheid van bewoning, en §1096 BGB over het goederenrechtelijke voorkeursrecht luiden ook telkens dat de rechten zich over het toebehoren uitstrekken (of kunnen uitstrekken (erstrecken), in geval van het goederenrechtelijke voorkeursrecht).
Vgl. MünchKommBGB/Stresemann 2012 §97 nr. 42.
In een aparte wet is de scheepshypotheek (Schiffshypothek) geregeld, waarvoor ook geldt dat het Zubehör mede verhaalsaansprakelijk is (haftet), zie §31 Abs. 1 Gesetzüber Rechte an eingetragenen Schiffen und Schiffsbauwerken. Ook voor luchtvaartuigen bestaat een vergelijkbare bepaling, §31 Abs. 1 Gesetz über Rechte an Luftfahrzeugen; Grädler 2012, p. 179-184. Vgl. ook het vuistloos pandrecht dat de pachter kan vestigen op de inventaris, waarbij in de literatuur (door de meerderheid) ook een uitzondering op het uniciteitsbeginsel wordt aangenomen, §§1, 3 Abs. 1 Pachtkreditgesetz, zie Grädler 2012, p. 188 e.v.; Staudinger/Jickeli & Stieper 2012 §90 nr. 69; Staudinger/Wiegand 2009 §1204 nr. 41.
Zie Wolf 1965, p. 29.
Vgl. Spath 2010, p. 18.
Schulze/Staudinger 2014 §1120, nr. 6.
197. §97 BGB definieert het toebehoren (Zubehör): roerende zaken die geen bestanddeel zijn van de hoofdzaak, maar wel bestemd zijn om het economische doel van die hoofdzaak duurzaam te dienen en tevens in een zodanige ruimtelijke verhouding tot de hoofdzaak staan.1 Bij een algemeenheid van zaken of goederen kan elk goed uit de algemeenheid toebehoren zijn van een ander goed, wanneer aan de vereisten van §97 BGB wordt voldaan.2 Bij een onderneming bijvoorbeeld zal de onroerende zaak waar de onderneming gevestigd is, vaak als hoofdzaak kunnen worden bestempeld en de overige roerende zaken uit de onderneming als toebehoren. De onderneming zelf kan echter geen toebehoren hebben, aangezien de onderneming zelf geen zaak is.3
Het toebehoren is in beginsel juridisch zelfstandig en deelt niet telkens het lot van de hoofdzaak. In enkele wettelijke bepalingen wordt echter betekenis toegekend aan de hoedanigheid van toebehoren. Zo is in §926 BGB bepaald dat met de overdracht van de eigendom van de onroerende zaak in geval van twijfel de verkrijger ook eigenaar wordt van het toebehoren, voor zover dit eigendom was van de vervreemder. Dit is een uitzondering op uniciteit bij beschikken (Spezialität der Verfügungen);4 met één beschikkingshandeling wordt eigendom van zowel de onroerende zaak als het (roerende) toebehoren overgedragen, zonder dat voor het toebehoren de vereiste leveringshandeling uit de §§929 e.v. BGB hoeft te worden uitgevoerd.5
Voorts strekken een recht van vruchtgebruik (Nießbrauch, §1031 BGB), het recht van bewoning in de vorm van een beperkte persoonlijkedienstbaarheid (beschränkte persönliche Dienstbarkeit, §1093 Abs. 1 S. 2 BGB)6 en het goederenrechtelijke voorkeursrecht (Vorkaufsrecht, §1096 BGB) zich van rechtswege uit over het toebehoren. Ook haftet (het verhaalsaansprakelijk zijn) het toebehoren voor een hypotheekrecht en Grundschuld (een op het hypotheekrecht gelijkend niet-accessoir recht) op een onroerende zaak die als hoofdzaak van dat toebehoren aan te merken is, wanneer het toebehoren in eigendom is van dezelfde eigenaar als de onroerende zaak (§1120, 1192 BGB).7
198. Praktisch gezien is de regeling van het toebehoren bij hypotheek en Grundschuld uit §1120 (jo. 1192) BGB het meest van belang.8 In de literatuur wordt door sommigen aangenomen dat zich hier een uitzondering op het uniciteitsbeginsel (Spezialitätsprinzip) voordoet, nu één hypotheekrecht, respectievelijk Grundschuld meerdere objecten omvat, namelijk het Grundstück en het toebehoren.9 Het is de vraag of deze conclusie juist is.
Zo valt een parallel te trekken met de eerderbesproken (paragraaf 5.4) Gesamthypothek. Daarbij nam ik aan dat evenzovele hypotheekrechten als objecten bestaan en dat de regeling van de Gesamthypothek uitsluitendbetrekking heeft op de Haftung (de verhaalsaansprakelijkheid), die zich uitstrekt over meerdere objecten. Ook van de regeling van het Zubehör uit §1120 BGB zou dat wellicht gezegd kunnen worden. Het onder de verhaalsaansprakelijkheid begrepen zijn van het Zübehor (bij hypotheek en Grundschuld) is vanuit dat gezichtspunt te vergelijken met een wettelijk hypotheek- of pandrecht, of met een voorrecht dat dezelfde rang heeft als de hypotheek, dat slechts bestaat indien de hoofdzaak is belast.10 Daarbij hoeft niet noodzakelijkerwijs sprake te zijn van één goederenrechtelijk recht op meerdere objecten tezamen.
Er bestaan echter ook sterke argumenten om bij de regeling uit §1120 BGB wél een uitzondering op het uniciteitsbeginsel aan te nemen. Ten eerste wijst de tekst van de wet in die richting; in de literatuur wordtmet betrekking tot §1120 BGB gesproken van het haften van het toebehoren voor de hypotheek,11 de wettekst luidt echter dat de hypotheek zich erstreckt (uitstrekt) over het toebehoren.12 Nu het toebehoren uitdrukkelijk geen bestanddeel is (§97 BGB) en dus zelfstandig rechtsobject,13 zou dit inderdaad een uitzondering op het uniciteitsbeginsel in kunnen houden.14 Ook wordt er wel op gewezen dat het bij het Zubehör moeilijk voorstelbaar is dat daar een afzonderlijk (hypotheek)recht op komt te rusten, omdat het Zubehör bestaat uit roerende zaken, en (bijvoorbeeld) een hypotheek of Grundschuld niet op dat type zaken kan rusten.15 Dit laatste bezwaar wordtechter niet weggenomen door één recht op beide objecten aan te nemen.16
Er zijn nog andere verschillen aan te wijzen met de situatie van de Gesamthypothek – om naar die parallel terug te keren. Bij de Gesamthypothek dient ieder object afzonderlijk verhypothekeerd te worden, terwijl het Zubehör van rechtswege mede verhaalsaansprakelijk is, indien aan de vereisten is voldaan. Bovendien kan het Zubehör weliswaar door de eigenaar afzonderlijk vervreemd worden – en op die wijze aan de verhaalsaansprakelijkheid onttrokken worden (§1121 BGB) – maar het kan echter niet (zolang het onder de Haftung van de hypotheek is begrepen als bedoeld in §1120 BGB) door andere schuldeisers afzonderlijk beslagen worden.17 Anders dan bij de Gesamthypothek wordt met de regeling van de Haftung van het Zubehör uit §1120 BGB wel degelijk een band gecreëerd die gezien kan worden als het bestaan van één recht op zowel de onroerende zaak als het toebehoren.