Einde inhoudsopgave
De eenzijdige rechtshandeling (O&R nr. 89) 2016/10.2
10.2 De eenzijdige rechtshandeling als bron van verbintenissen
C. Spierings, datum 06-02-2016
- Datum
06-02-2016
- Auteur
C. Spierings
- JCDI
JCDI:ADS376785:1
- Vakgebied(en)
Vermogensrecht / Rechtshandelingen
Voetnoten
Voetnoten
Zo ook Asser/Hartkamp & Sieburgh 6-III 2014/102; Asser/Hartkamp & Sieburgh 6-I* 2012/50;Van der Heijden 1928, p. 27; W. Snijders, ‘Artikel 3.1.1.15 BW en de schakelbepalingen’, in: Hirsch Ballin e.a. 1988, p. 61-62; Janssens 1926, p. 126 e.v.; Pitlo/Bolweg 1979, p. 39; Asser/Rutten 3-II 1968, p. 114; Smits 2003, nr. 33; P. van Bemmelen, ‘Het rechtsbegrip van de overeenkomst’, Rechtsgeleerd Magazijn 1889, p. 353; Menu 1994, p. 170, 263; R.M. Schoonenberg, ‘De toezegging in het licht van recente jurisprudentie’, in: Omwille van de consument (Clausing-bundel), Zwolle: Tjeenk Willink 1990, p. 106; Vranken 1989, p. 112 (ook in ‘Wisselwerking tussen privaatrecht en bestuursrecht’, in: Hirsch Ballin e.a. 1988, p. 31-32); Van Delden en Bannier 1999, p. 83.
Andere auteurs hebben zich uitgesproken tegen de verbintenisscheppende eenzijdige rechtshandeling, Land/De Savornin Lohman 1907, p. 173-174; A.R. Bloembergen, ‘Boekbespreking J.M.M. Menu, “De toezegging in het privaatrecht, Een intern rechtsvergelijkende analyse met de toezegging in het bestuursrecht”’, RM Themis 1996 nr. 2, p. 58; De Kluiver 1992, p. 125 e.v.; Ackermans-Wijn 1989, p. 105; Huijgen 1991, p. 41, de laatste twee naar aanleiding van de figuur van de overheidstoezegging.
Parl. Gesch. Boek 6, p. 87 (TM).
400. Vormt naar Nederlands recht de eenzijdige rechtshandeling een bron van verbintenissen? Het antwoord op deze vraag is mijns inziens bevestigend.1,2 De vraag valt uiteen in (i) een feitelijke component (zijn er naar huidig recht eenzijdige rechtshandelingen die als rechtsgevolg hebben dat verbintenissen in het leven worden geroepen?); (ii) een systematische component (biedt het Nederlandse systeem van het verbintenissenrecht ruimte voor de verbintenisscheppende eenzijdige rechtshandeling?); en (iii) een normatieve component (is het wenselijk de eenzijdige rechtshandeling te erkennen als bron van verbintenissen?). Op deze vragen ga ik hierna nader in. Mijn conclusies zijn de volgende.
De feitelijke vraag is eenvoudig bevestigend te beantwoorden. Er zijn verschillende voorbeelden te geven van eenzijdige rechtshandelingen die verbintenissen kunnen scheppen. De verbintenisscheppende eenzijdige rechtshandeling is bovendien te verenigen met het systeem van het BW. Het geclausuleerd open systeem van verbintenissen biedt de mogelijkheid om de eenzijdige rechtshandeling te erkennen als bron van verbintenissen. Wat rest, is een afweging van beginselen. Zoals ik hierna toelicht, is mijns inziens de primaire grondslag van gebondenheid de autonomie van personen en zou die autonomie ook eenzijdig uitgeoefend moeten kunnen worden. Bij de beoordeling of in een concreet geval een verbintenis tot stand is gekomen, worden ook het vertrouwens- en het causabeginsel betrokken. Erkenning van de eenzijdige rechtshandeling als bron van verbintenissen botst echter met het in de parlementaire geschiedenis geformuleerde uitgangspunt van de wetgever dat verbintenissen alleen kunnen voortvloeien uit een overeenkomst en niet uit een eenzijdige rechtshandeling.3 Mijns inziens moet dat dogma worden losgelaten. De ratio dat iemand een ander geen verbintenis moet kunnen opdringen, heeft nog wel geldingskracht, maar moet niet tot gevolg hebben dat de eenzijdige rechtshandeling categorisch wordt uitgesloten als bron van verbintenissen. Ter voorkoming van opgedrongen verbintenissen kunnen bovendien andere mechanismen worden aangewend.
10.2.1 Juridische werkelijkheid: eenzijdige rechtshandelingen scheppen verbintenissen10.2.2 De verbintenisscheppende eenzijdige rechtshandeling in het wettelijke systeem10.2.3 Wenselijkheid10.2.4 De vloeiende overgang tussen eenzijdige rechtshandelingen en eenzijdige overeenkomsten