Einde inhoudsopgave
Het schuldige geheugen? (SteR nr. 32) 2017/I.2.3
I.2.3 Neurogeheugendetectietest in theorie
mr. D.A.G. van Toor, datum 22-02-2017
- Datum
22-02-2017
- Auteur
mr. D.A.G. van Toor
- JCDI
JCDI:ADS455575:1
- Vakgebied(en)
Strafprocesrecht / Algemeen
Voetnoten
Voetnoten
D.T. Lykken, ‘The GSR in the detection of guilt’, Journal of Applied Psychology, 1959, 6, p. 385-388.
J.P. Rosenfeld, V.T. Nasman, R. Whalen, B. Cantwell & L. Mazzeri, ‘Late vertex positivity in event-related potentials as a guilty knowledge indicator: A new method of lie detection’, International Journal of Neuroscience, 1987, 34, p. 125-129.
E.H. Meijer, N. Klein Selle, L. Elber & G. Ben-Shakar, ‘Memory detection with the Concealed Information Test: A meta analysis of skin conductance, respiration, heart rate, and P300 data’, Psychophysiology 2014, 9, p. 879-904.
D. Karis, M. Fabiani & E. Donchin, ‘“P300” and Memory: Individual Differences in the Von Restorff Effect’, Cognitive Psychology 1984, 16, p. 177.
De hersenactiviteit wordt normaliter ondersteboven weergegeven. De daling in de figuur houdt derhalve een stijging van de activiteit in.
J.P. Rosenfeld, M. Soskins, G. Bosh & A. Ryan, ‘Simple effective countermeasures to P300-based tests of detection of concealed information’, Psychophysiology 2004, 2, p. 210.
Als plausibele afleiders kunnen bij ‘het soort wapen’ wapens van verschillende merken en types vuurwapens worden weergegeven. Als het goed is, weet alleen de dader welk merk en type is gebruikt. Bij plausibele afleiders is de kans veel kleiner dat een onschuldige toevallig het moordwapen herkent.
Als er vijf sets van afbeeldingen worden weergegeven met elk een juist item en vier plausibele afleiders is de kans dat er bij elk daderkennisitem een P300 optreedt 0,03% (0,2^5). Over de betrouwbaarheid van de GKT meer in het hoofdstuk 3.
De eerste (fysiologische) geheugendetectietest werd ontwikkeld omdat men veronderstelde dat schuldige verdachten fysiologisch anders zouden reageren dan onschuldige verdachten wanneer zij tijdens een verhoor worden geconfronteerd met correcte feiten over het delict.1 Deze test kreeg daarom de Guilty Knowledge Test als naam, omdat hij onderzoekt of mensen reageren op correcte informatie van plaatsen delict. De enkele confrontatie met feiten over het delict zouden door emotionele opwinding tot bijvoorbeeld een hogere hartslag en Galvanic Skin Response (zweetproductie, GSR) leiden. Omdat de fysiologische GKT is gebaseerd op een emotionele reactie kan men echter niet zeker weten of de confrontatie met de criminele feiten of de stressvolle situatie – een verhoor over een strafbaar feit – de fysiologische reactie teweegbrengt. Het is aannemelijk dat de van zijn vrijheid beroofde verdachte tijdens het verhoor atypische of afwijkende fysiologische reacties laat zien.
In 1987 brachten Rosenfeld en collega’s daarom belangrijke veranderingen aan in de traditionele GKT.2 De (moderne) neuropsychologische geheugendetectietest is ontwikkeld op basis van de premisse dat bij de dader altijd een herinnering in het geheugen wordt opgeslagen over het voorbereiden en/of plegen van het strafbare feit. Opslaan, bewaren en herinneren zijn geen emotionele acties maar cognitieve processen. De neuropsychologische GKT is daarom minder beïnvloedbaar door persoonlijke en situationele kenmerken. De belangrijkste redenen waarom de neuropsychologische GKT minder beinvloedbaar is, zijn de snelheid waarmee de hersenen op stimuli reageren (waardoor (on)bewuste beïnvloeding niet mogelijk is, terwijl door aandacht te besteden aan het feit men zweet vaak leidt tot een hogere zweetproductie) en het directer onderzoeken van de bron van informatie (in plaats van via fysiologische reacties die door de hersenen worden veroorzaakt als respons op daderkennis wordt hierbij de hersenactiviteit direct gemeten). Uit een recente meta-analyse blijkt dat neurogeheugendetectie in een bepaalde onderzoeksparadigma (de personal-item paradigm) schuldige kennis beter herkent dan drie fysiologische maten (ademhaling, zweetproductie en hartslag), terwijl in de mock crime scenario’s een fysiologische maat (GSR) en neurogeheugendetectie even sterk zijn (maar twee andere fysiologische maten zijn minder sterk in het herkennen van ‘schuldigen’).3 Met andere woorden, na 30 jaar onderzoek met de neurogeheugendetectietest in plaats van of naast een fysiologische, kan de hypothese dat de hersenen minder beïnvloedbaar zijn door persoonlijke en situationele kenmerken worden aanvaard.
Met een (neuro)geheugendetectietest worden afbeeldingen en/of woorden die te maken hebben met het strafbare feit en die als daderkennis worden gezien (‘meaningful/relevant items’) en een groot aantal ‘afleiders’ (‘irrelevants’) weergegeven op een computerscherm. Naast de juiste afbeelding van het moordwapen worden bijvoorbeeld vier andere pistolen weergegeven. De veronderstelling is dat alleen de dader weet welk merk en type pistool van welk kaliber bij het strafbare feit is gebruikt. Zoals hierboven beschreven, zijn bij verschillende cognitieve processen te onderscheiden hersengolfpatronen in uiteenlopende hersenregio’s waar te nemen. Bij de eerste waarneming wordt – als de informatie belangrijk of opvallend is – een herinnering opgeslagen. Bij de waarnemingen daarna wordt de al opgeslagen herinneringen uit het geheugen opgehaald. Dit zijn te onderscheiden cognitieve taken. Het ophalen van informatie en het herkennen van eerder gezien leidt tot een andere vorm van hersenactiviteit, dan wanneer onbekende informatie voor de eerste keer wordt waargenomen en een herinnering wordt gecreëerd.4 De GKT onderzoekt het verschil tussen deze twee vormen van hersenactiviteit. Het opnieuw waarnemen van het moordwapen leidt tot een andere vorm van hersenactiviteit dan het waarnemen van een ander, onbekend wapen.
Hieronder (figuur 4) is het verschil in hersenactiviteit tussen twee groepen proefpersonen weergegeven, aan de linkere kant de proefpersonen die een strafbaar feit hebben nagespeeld (mock crime) en rechts de controleproefpersonen die geen weet hebben van de mock crime en dus onschuldig zijn. De tweede indeling in de figuur (in rijen) is die tussen de meting, namelijk de oogbewegingen (EOG), op de frontale kwab (in het midden) (Fz), op de temporale kwab (in het midden) (Cz), in de pariëtale kwab (in het midden) (Pz). De laatste indeling is in de rijen van de meetpunten. Proefpersonen kregen drie soorten informatie te zien die is weergegeven aan de hand van de lijnen: (1) daderkennis (probe); (2) relevante afleiders (target) en; (3) irrelevante afleiders (irrelevant). Daderkennis is bijvoorbeeld een afbeelding van de gestolen ring, een relevante afleider is een afbeelding van een andere ring, een irrelevante afleider is een foto van een dier. (De laatste categorie is om een standaard hersenactiviteitreactie op stimuli te baseren.) Als de groep ‘guilty’ op een bepaald meetpunt structureel anders reageert op de stimulus ‘probe’ duidt dat op het identificeren van daderkennis.
Over het algemeen laten de schuldige en onschuldige proefpersonen dezelfde reacties zien op de verschillende stimuli. Er is echter één afwijking, die in de onderste rij (Pz) is te zien. De dikke lijn daalt (veel) dieper bij de schuldige proefpersonen dan dezelfde lijn bij de onschuldige proefpersonen. Bij de dikste lijn (‘probe’, daderkennis) vindt (na 300 milliseconden) op de pariëtale kwab, als de informatie is beoordeeld als ‘eerder waargenomen’, een grotere stijging5 van de activiteit bij schuldigen ten opzichte van onschuldigen plaats. Deze vorm van activiteit wordt, omdat hij na 300 milliseconden optreedt, P300 genoemd. Aan de hand van een P300 wordt dan geconcludeerd dat de onderzochte persoon de informatie herkent, en de P300 treedt in veel minder sterke mate op als iemand informatie voor de eerste keer waarneemt. Het verschil bij de dikste lijn (‘probe’) op de pariëtale kwab (Pz) duidt bij de populatie schuldigen dus op herkenning van de informatie. Met andere woorden, deze personen hebben de gepresenteerde daderkennis eerder waargenomen. Bij de onschuldigen daalt de dikste zwarte lijn veel minder sterk en dat betekent (hoogstwaarschijnlijk) dat zij de daderkennis voor het eerst waarnemen. (De twee dunnere lijnen zijn respectievelijk woorden die niets met het strafbare feit te maken en de onjuiste, maar plausibele alternatieve antwoorden.) Het grootste verschil tussen de activiteit bij schuldigen en onschuldigen vindt plaats in de pariëtale kwab. Als de hersenactiviteit bij de waarneming van de afbeelding van het juiste wapen de vorm aanneemt van een P300 en bij de verkeerde afbeeldingen niet, leidt men daaruit af dat de persoon die wordt onderzocht daderkennis heeft.
Figuur 4. Oogbeweging (EOG) en hersenactiviteit gemeten op de scalp bij plekken frontaal (FZ), centraal (CZ) en pariëtaal (PZ) bij herkenning (‘probe’) en niet-herkenning (‘irrelevant’).6
Als men voldoende verschillende daderkennisitems weergeeft (soort wapen, feiten van de plaats delict, kleding slachtoffer etc.), samen met plausibele afleiders,7 is de kans statistisch gezien erg klein dat een onschuldige persoon toevallig en onterecht bij alle daderkennis een P300 produceert.8 Bij een grotere hoeveelheid gepaarde groepen informatie (een aantal juiste items en plausibele afleiders) neemt de kans exponentieel toe dat men de schuldige kan onderscheiden van een persoon die toevallig en ten onrechte een P300 produceert. Daarbij is het erg belangrijk dat daderkennis niet op andere wijze, via de media of tijdens een verhoor, wordt prijsgegeven. Anders kan een onschuldige dezelfde informatie in zijn lange termijngeheugen hebben opgeslagen als de dader.