Einde inhoudsopgave
De optimale rechtsvorm voor de samenwerking in het beroep (VDHI nr. 139) 2017/4.3
4.3 Fiscaliteit en de plaats van het beroep
mr. S.E. van der Waals, datum 30-01-2017
- Datum
30-01-2017
- Auteur
mr. S.E. van der Waals
- JCDI
JCDI:ADS390345:1
- Vakgebied(en)
Ondernemingsrecht / Algemeen
Voetnoten
Voetnoten
Blijkbaar huldigt de fiscale wetgever ook het standpunt dat beroepsbeoefenaren een bijzondere behandeling verdienen. Dit is waarschijnlijk terug te voeren op het feit dat beroepsbeoefenaren op grond van de fiscale wetten niet primair als ondernemer zijn aan te merken nu de omschrijving van hun werkzaamheden meestal niet direct aansluit bij de omschrijving van het begrip ‘onderneming’: een organisatie van kapitaal en arbeid.
Furer e.a. 2010 p. 15-16.
Deze blijven vaak namelijk beperkt tot investeringen in huisvesting en hulpmiddelen.
Furer e.a. p. 15.
In de fiscale wetgeving wordt het beroep als een speciale vorm van ondernemerschap gezien. Beroepsbeoefenaren worden door de fiscus (in de inkomstenbelasting) uitdrukkelijk als ondernemer bestempeld, maar beroepsuitoefening wordt in de fiscale wetgeving wel gezien als een aparte vorm van het ondernemerschap.1 De achtergrond hiervan is dat het, volgens de fiscus, bij de uitoefening van een beroep, zoals ook al in hoofdstuk 2 betoogd, veel meer gaat om de persoon die dat beroep uitoefent dan om de ondernemer c.q. de onderneming als zodanig. Zoals Furer e.a. treffend opmerken: ‘het gaat veel meer om de vent dan om de tent’.2 Zoals ook reeds in hoofdstuk 2 aan de orde is gekomen, is de band tussen de persoon van de beroepsbeoefenaar en diens werkzaamheden vaak veel nauwer dan die van een ‘gewone’ ondernemer. Kapitaal, financiering en investeringen zijn bij beroepsuitoefening doorgaans veel minder van belang.3
De fiscale hoofdregel is dat iemand pas als ondernemer kan worden aangemerkt wanneer voor zijn rekening een onderneming wordt gedreven en hij rechtstreeks wordt verbonden voor verbintenissen betreffende die onderneming,4 waarbij de onderneming kan worden omschreven als de op het maken van winst gerichte organisatie van kapitaal en arbeid. De beroepsbeoefenaar valt niet onder deze omschrijving in de fiscale wet. In het aparte artikel dat in de Wet IB 2001 is gewijd aan de beroepsbeoefenaar, ontbreekt de eis van rechtstreekse verbondenheid voor verbintenissen betreffende de onderneming.5
De bijzondere behandeling van beroepsbeoefenaren komt met name naar voren in de inkomstenbelasting.6 Er wordt dus blijkbaar (ook) fiscaal gezien van uitgegaan dat beroepsbeoefenaren vaak nog samenwerken in een fiscaal transparante rechtsvorm zoals de maatschap. Nu uit de vorige hoofdstukken is gebleken dat de maatschap vaak niet (meer) wordt gezien als de optimale rechtsvorm voor beroepsbeoefenaren, is het interessant om ook de alternatieve rechtsvormen vanuit fiscaal oogpunt te bekijken. Allereerst zal het belastingregime worden besproken dat van toepassing is op de personenvennootschappen: de inkomstenbelasting. Daarna zal kort aandacht besteed worden aan de vennootschapsbelasting. Dit is de belasting die van toepassing is op (de meeste) rechtspersonen.
4.3.1 Fiscaliteit en het beroep: de inkomstenbelasting algemeen4.3.2 Fiscaliteit en het beroep: vennootschapsbelasting