Einde inhoudsopgave
Natrekking door onroerende zaken (O&R nr. 94) 2016/3.2.1.2
3.2.1.2 De totstandkoming van art. 3:4 lid 1 BW
P.J. van der Plank, datum 01-05-2016
- Datum
01-05-2016
- Auteur
P.J. van der Plank
- JCDI
JCDI:ADS483089:1
- Vakgebied(en)
Vermogensrecht / Bijzondere onderwerpen
Goederenrecht / Eigendom, bezit en houderschap
Goederenrecht / Verkrijging en verlies
Voetnoten
Voetnoten
OM, PG Boek 3, O.M., p. 72.
MvA II, PG Boek 3, p. 74.
MvA II, PG Boek 3, p. 74.
Zie: W.C.L. van der Grinten, ‘Natrekking, vermenging en zaaksvorming’, WPNR 1961/4701, p. 520.
Zie voor een uitgebreide bespreking van de in de literatuur geuite kritiek op de codificatie van de verkeersopvatting: B.G.P. Rogmans, ‘Over de betekenis van verkeersopvattingen in het nieuw BW’, in: A.T. Dek, E.G. Folten & M.A.T. Schroots (red.), Ex iure: veertien opstellen bij het veertiende lustrum van Societas Iuridica Grotius en de vierhonderdenvijfde geboortedag van Grotius (Grotius-bundel), Arnhem: Gouda Quint 1987, p. 143-144.
W.C.L. van der Grinten, ‘Bestanddeel, bijzaak en hulpzaak’, WPNR 1971/5153, p. 520.
W.C.L. van der Grinten, ‘Bestanddeel, bijzaak en hulpzaak’, WPNR 1971/5153, p. 520.
MO, PG Boek 3, p. 77.
Rogmans opvatting hieromtrent is mijns inziens enigszins ambivalent. Hij begint met de aanbeveling de verkeersopvatting en de redelijkheid en billijkheid ‘waar mogelijk uit elkaar te houden’. Maar stelt één zin later: “Vaak echter zullen de beide rechtsvindingactiviteiten samenkomen in één oordeel. Vaak ook zullen dezelfde feitelijke omstandigheden bepalend zijn voor het formuleren van zowel de verkeersopvatting als het billijkheidselement in het oordeel.” De vraag wanneer de verkeersopvatting en de redelijkheid en billijkheid uit elkaar liggen, blijft echter onbesproken. Zie B.G.P. Rogmans, Verkeersopvattingen, Deventer: Kluwer 2007, p. 12.
MO, PG Boek 3, p. 77.
MO, PG Boek 3, p. 81.
Meijers ontwerp voor het eerste lid van het huidige art. 3:4 BW luidde aanvankelijk anders:
“Bestanddeel van een zaak is al wat daarvan volgens verkeersopvatting een wezenlijk onderdeel uitmaakt.”1
Het ontwerpartikel werd op verschillende punten gewijzigd. Zo werd de woordvolgorde veranderd zodat de formulering van het eerste lid niet (althans minder) klinkt als een definitie van het begrip ‘bestanddeel’.2
Tevens werd, op aanraden van Van der Grinten, het woordje ‘wezenlijk’ geschrapt.3 Van der Grinten stelde dat een onderdeel ‘wezenlijk’ is, indien de zaak zonder dit onderdeel zijn wezen verliest, terwijl dit niet van ieder bestanddeel gezegd kan worden. Als voorbeeld hiervan noemt hij een aantal dakpannen van een huis. Een huis is, ook indien een aantal dakpannen ontbreken een huis, toch dienen de dakpannen wel als bestanddeel van het huis aangemerkt te worden.4
De verkeersopvatting als criterium voor bestanddeelvorming bleef behouden, doch niet zonder enige discussie.5 Met name Van der Grinten sprak zich uit tegen het gebruik van de verkeersopvatting als maatstaf voor bestanddeelvorming. Hij stelt:
“Niet alleen is echter de term verkeersopvatting moeilijk grijpbaar, doch voorts is weinig duidelijk hoe deze moet worden vastgesteld.”6
Zijn voorstel voor het eerste lid van art. 3:4 BW is:
“Al hetgeen onderdeel van een zaak uitmaakt is bestanddeel van die zaak.”7
Het antwoord op de vraag hoe men bepaalt wat een ‘onderdeel’ is van een zaak, laat Van der Grinten over aan de rechter. Wel stelt hij dat een rechter dit niet op grond van de verkeersopvatting vast dient te stellen, maar dit ‘naar eigen redelijk oordeel’ dient te bepalen.
Uit het Mondeling Overleg blijkt dat een gedeelte van de vaste commissie voor Justitie uit de Tweede Kamer geneigd was het begrip ‘verkeersopvatting’ te schrappen. Dit in navolging van Van der Grinten. Zij waren van mening dat een dergelijke maatstaf te vaag is en dat over de inhoud van dit begrip geen eensgezindheid bestaat, waardoor met behulp van dit begrip in eenzelfde geval verschillende uitkomsten kunnen worden verkregen. Een ander argument tegen de verkeersopvatting als maatstaf voor bestanddeelvorming dat zij noemen, is gelegen in het feit dat de verkeersopvatting “als het ware met de tijd meebeweegt en telkens een andere inhoud heeft”, wat ertoe kan leiden dat iets wat eerst geen bestanddeel is, later wél als bestanddeel te gelden heeft. Ook wordt de vrees uitgesproken dat de verkeersopvatting in procedures ‘een complicerende factor’ kan zijn, omdat een rechter hier wellicht een tijdrovend onderzoek naar dient te doen.
Geconcludeerd wordt:
“Het lijkt daarom beter de “verkeersopvatting” als maatstaf te laten vallen opdat de rechter elke zaak naar redelijkheid kan beslissen.”8
Opvallend is dat als alternatief voor de verkeersopvatting als maatstaf voor bestanddeelvorming een redelijk rechterlijk oordeel aangedragen wordt. Het oordeel van een rechter of iets bestanddeel is of niet zal immers ergens op moeten berusten, waarbij de verkeersopvatting wederom een belangrijke rol zal spelen.9Art. 3:12 BW bepaalt immers:
“Bij de vaststelling van wat redelijkheid en billijkheid eisen, moet rekening worden gehouden met algemeen erkende rechtsbeginselen, met de in Nederland levende rechtsovertuigingen en met de maatschappelijke en persoonlijke belangen, die bij het gegeven geval zijn betrokken.”
Deze opvatting is ook te lezen in de Parlementaire Geschiedenis:
“Schrapping van de onderhavige maatstaf zou niet kunnen beletten dat in de rechtspraak de “verkeersopvatting” toch als maatstaf wordt behouden. Bij beslissingen inzake bestanddelen doet iedereen hetzelfde en gaat iedereen volgens deze maatstaf te werk, ook degenen die zich niet realiseren dat zij, dusdoende, de “verkeersopvatting” hanteren. Daarom zou schrapping van deze maatstaf een stap terug betekenen.”10
Zelfs werd gesteld dat de verkeersopvatting als maatstaf ‘onmisbaar’ is, nu juist vanwege haar soepelheid de verkeersopvatting als maatstaf zich aanpast aan de veranderingen in de stad van de techniek. Dat deze argumenten overtuigend waren, wordt expliciet gesteld11 en zo werd de verkeersopvatting als maatstaf voor bestanddeelvorming in art. 3:4 lid 1 BW gehandhaafd.