Natrekking door onroerende zaken
Einde inhoudsopgave
Natrekking door onroerende zaken (O&R nr. 94) 2016/4.5:4.5 Art. 5:20 BW is een uitwerking van art. 5:3 BW
Natrekking door onroerende zaken (O&R nr. 94) 2016/4.5
4.5 Art. 5:20 BW is een uitwerking van art. 5:3 BW
Documentgegevens:
P.J. van der Plank, datum 01-05-2016
- Datum
01-05-2016
- Auteur
P.J. van der Plank
- JCDI
JCDI:ADS481895:1
- Vakgebied(en)
Vermogensrecht / Bijzondere onderwerpen
Goederenrecht / Eigendom, bezit en houderschap
Goederenrecht / Verkrijging en verlies
Toon alle voetnoten
Voetnoten
Voetnoten
Asser/Mijnssen, Van Velten & Bartels 5* 2008/81; H.W. Heyman en S.E. Bartels, ‘Is een huis bestanddeel van de grond? Een rechtsgeleerde dialoog tussen H.W. Heyman en S.E. Bartels’, NTBR 2006/40; Snijders & Rank-Berenschot 2012, Goederenrecht, nr. 173; S.C.J.J. Kortmann, ‘De Portacabin’, AA 1998, afl. 2; S.C.J.J. Kortmann, ‘Het nagetrokken grafteken’, AA 2003, afl. 4.
Deze functie is alleen te gebruiken als je bent ingelogd.
In de huidige leer wordt meestal gesteld dat art. 5:20 BW een invulling is van art. 3:4 BW.1 Anders gezegd dat art. 5:20 BW een lex specialis is ten opzichte van art. 3:4 BW (dat als lex generalis gezien wordt).
Naar mijn mening dient men art. 5:20 BW te bezien in combinatie met art. 5:3 BW. Art. 5:3 BW is opgenomen in Titel 1: “Eigendom in het algemeen” en geeft de hoofdregel voor alle zaken: zowel roerend als onroerend. Art. 5:3 BW bepaalt dat de eigenaar van een zaak ook eigenaar is van haar bestanddelen, voor zover de wet niet anders bepaalt. Art. 5:20 BW geeft een bijzondere regel omtrent de eigendom van onroerende zaken. Hierin staat dezelfde uitzonderingsbepaling als in art. 5:3 BW. De eerste zin van 5:20 lid 1 BW luidt: de eigendom van de grond omvat, voor zover de wet niet anders bepaalt.
Een uitzondering op de regel dat een eigenaar van een zaak ook eigenaar is van de bestanddelen van die zaak, kent het Burgerlijk Wetboek zoals gezegd enkel voor onroerende zaken. Het feit dat art. 5:3 BW deze uitzonderingsbepaling kent, betekent dat art. 5:3 BW ook op onroerende zaken ziet. Omdat art. 5:20 BW een uitwerking is van art. 5:3 BW, betekent dit dat een gebouw of werk tevens bestanddeel is van de grond.
Art. 5:20 BW is de uitwerking van art. 5:3 BW voor onroerende zaken, zoals art. 5:14 BW dat is voor roerende zaken. Art. 3:3 BW bepaalt of men toekomt aan de toepassing van art. 5:20 BW of niet.
Met betrekking tot de verhouding tussen de artt. 3:3, 3:4, 5:3 en 5:20 BW leidt dit tot de volgende conclusie:
Indien sprake is van bestanddeelvorming in de zin van art. 3:4 BW, dan leidt dit tot toepassing van de hoofdregel van art. 5:3 BW. Art. 3:4 BW en 5:3 BW zijn derhalve onlosmakelijk met elkaar verbonden. Art. 5:20 BW is een uitwerking van art. 5:3 BW en derhalve ook onlosmakelijk verbonden. Voor de vraag of 5:20 BW van toepassing is, geldt de regel van art. 3:3 lid 1 BW.