Einde inhoudsopgave
De kapitaalverschaffer zonder stemrecht in de BV (VDHI nr. 116) 2013/6.3.3.3
6.3.3.3 Het vergaderrecht
R.A. Wolf, datum 14-03-2013
- Datum
14-03-2013
- Auteur
R.A. Wolf
- JCDI
JCDI:ADS387754:1
- Vakgebied(en)
Ondernemingsrecht / Rechtspersonenrecht
Voetnoten
Voetnoten
Zie art. 2:194 lid 1 laatste volzin BW.
Vgl. Schwarz 1995, p. 204-205.
Kamerstukken II 2006/07, 31 058, nr. 3, p. 82 (MvT).
Kamerstukken II 2011/12, 32 426, nr. 13, p. 1.
Kamerstukken II 2006/07, 31 058, nr. 3, p. 81-82 (MvT).
Daargelaten de vraag of het in alle gevallen verstandig is aan werknemers certificaten met vergaderrecht uit te geven. Het voorbeeld is ontleend aan Wouters 2011, p. 239.
In de administratievoorwaarden zal in de regel bepaald zijn dat de werknemer bij ontslag de door hem gehouden certificaten zal moeten aanbieden.
In paragraaf 4.4.3 besprak ik reeds het vergaderrecht als bedoeld in art. 2:227 BW. Onder het vergaderrecht wordt verstaan het recht om, in persoon of bij schriftelijk gevolmachtigde, de algemene vergadering bij te wonen en daar het woord te voeren. De statuten van de BV kunnen bepalen of er aan de certificaten vergaderrecht is toegekend. De kenbaarheid van de vergadergerechtigden blijkt uit het aandeelhoudersregister.1 Dat geldt aldus ook voor de certificaathouder.
Of aan een certificaat vergaderrecht is verbonden, is niet enkel van belang vanwege dat ene recht. De wet koppelt aan de vergadergerechtigdheid tal van andere rechten, zoals uit het overzicht in paragraaf 6.3.3.1 blijkt. Het gaat bijvoorbeeld om het oproepingsrecht (art. 2:223 BW) en het recht kennis te nemen van oproepingsbrieven voor een algemene vergadering (art. 2:224 lid 1 BW), het recht om de voorzieningenrechter te verzoeken om een machtiging tot het bijeenroepen van een algemene vergadering (art. 2:220 BW) en besluitvorming in en buiten vergadering (respectievelijk lid 1 en 2 van art. 2:238 BW). Het vergaderrecht is dus van belang zowel voor het beïnvloeden van het besluitvormingsproces als voor de geldigheid van de besluitvorming.2 Niet inachtneming van deze rechten kan leiden tot nietigheid ex art. 2:14 BW of vernietigbaarheid ex art. 2:15 BW van besluiten. Daarmee is het vergaderrecht en de daaraan gekoppelde rechten een belangrijke factor die de interne verhoudingen van de certificaathouder als kapitaalverschaffer zonder stemrecht bepaald.
Op grond van art. 2:228 lid 2 BW zijn statutaire regelingen die bepalen dat certificaten in het algemeen geen vergaderrecht hebben, dat alle certificaten vergaderrecht hebben of dat het vergaderrecht slechts toekomt aan bepaalde, in de statuten aangeduide certificaten, toegestaan. Uitgangspunt is dat de vennootschap zelf bepaalt of er certificaten met vergaderrecht worden toegelaten, en zo ja, aan welke certificaten dat vergaderrecht toekomt. Het zijn in beginsel de aandeelhouders die bepalen in hoeverre de besluitvorming in de algemene vergadering open staat voor anderen.3
Denkbaar is dat de statuten van de vennootschap bepalen dat de aan certificaten vergaderrecht verbonden kan worden. De vraag is dan of ingeval van certificering van aandelen het wettelijk pandrecht ontstaat. Naar mijn mening is dat gelet op de tekst van art. 2:227 lid 2 BW niet het geval. De statuten moeten daadwerkelijk het vergaderrecht aan de certificaten verbinden.
De laatste volzin van art. 2:227 lid 2 BW bepaalt dat de statuten kunnen bepalen dat het verbinden en ontnemen van vergaderrecht aan certificaten van aandelen geschiedt door een daartoe in de statuten aangewezen orgaan. Er zijn dus twee manieren om vergaderrecht aan certificaten te verbinden, te weten (i) toekenning bij statuten en (ii) toekenning door een orgaan, dat bij de statuten daartoe is aangewezen.4 Het orgaan dient een orgaan te zijn in de zin van art. 2:189a BW. Aldus kan de bevoegdheid tot het toekennen van vergaderrecht aan certificaten worden toegekend aan de vergadering van houders van aandelen van een bepaalde soort of aanduiding (waaronder dus ook de vergadering van stemrechtloze aandeelhouders), het bestuur, de raad van commissarissen en de gemeenschappelijke vergadering van het bestuur en de raad van commissarissen. Dat orgaan is in dat geval bevoegd om te besluiten dat aan een of meerdere certificaten vergaderrecht wordt verbonden of ontnomen.5
De mogelijkheid te bepalen dat het vergaderrecht slechts aan bepaalde, in de statuten aangeduide certificaten toekomt, maakt het tevens mogelijk een kwaliteitseis aan de certificaathouder te stellen. Bijvoorbeeld het zijn van werknemer ingeval van werknemerscertificaten.6 De statuten kunnen bepalen dat indien de arbeidsovereenkomst is geëindigd het orgaan het vergaderrecht aan het certificaat kan ontnemen.7
Ten aanzien van het vergaderrecht is voorts van belang dat art. 2:196c BW bepaalt dat art. 2:196a en 2:196b BW van overeenkomstige toepassing zijn met betrekking tot de levering van een certificaat van een aandeel waaraan vergaderrecht is verbonden, met dien verstande dat de in art. 2:196b BW bedoelde overlegging of betekening geschiedt van een afschrift van de akte van levering. Dat houdt in dat het vergaderrecht eerst kan worden uitgeoefend nadat de BV de levering heeft erkend of nadat de akte van levering van het betreffende certificaat aan de vennootschap is betekend.
Zoals eerder opgemerkt, is een certificaat een vorderingsrecht op naam. Een dergelijk recht wordt geleverd op de wijze als bedoeld in art. 3:94 BW. Art. 2:196a lid 3 BW bepaalt dat indien de erkenning of betekening van de levering heeft plaatsgevonden zonder dat dit heeft geleid tot een daarop aansluitende wijziging in het register van aandeelhouders, deze levering noch aan de vennootschap noch aan anderen die te goeder trouw de in het aandeelhoudersregister ingeschreven persoon als aandeelhouder of eigenaar van een beperkt recht op een aandeel hebben beschouwd, kan worden tegengeworpen.