Einde inhoudsopgave
Natrekking door onroerende zaken (O&R nr. 94) 2016/3.2.1.3.2
3.2.1.3.2 Het Groutankerarrest
P.J. van der Plank, datum 01-05-2016
- Datum
01-05-2016
- Auteur
P.J. van der Plank
- JCDI
JCDI:ADS486707:1
- Vakgebied(en)
Vermogensrecht / Bijzondere onderwerpen
Goederenrecht / Eigendom, bezit en houderschap
Goederenrecht / Verkrijging en verlies
Voetnoten
Voetnoten
HR 6 december 2012, ECLI:NL:HR:2012:BX7474.
De vraag naar het eigendomsrecht van deze groutankers komt voort uit de vraag wie aansprakelijk is voor de schade die ontstaan is door achterlating van de groutankers in de grond.
Hof ’s-Gravenhage 18 januari 2011, ECLI:NL:GHSGR:2011:BP3802.
A. Steneker, annotatie bij: HR 6 december 2012, ECLI:NL:HR:2012:BX7474, JOR 2013/65.
H.W. Heyman merkt in dit verband op: “De subjectieve bedoeling is niet relevant ook al is zij duidelijk en naar buiten kenbaar. Het kan niet zo zijn dat iemand door bijvoorbeeld op een container een bord aan te brengen met de tekst: ‘deze container is bestemd om duurzaam ter plaatse te blijven’ kan bewerkstelligen dat die container onroerend wordt en hem vervolgens met evenveel gemak weer roerend kan maken door het bord weg te halen of de tekst te wijzigen in ‘niet bestemd etc.’” Zie H.W. Heyman, ‘Zijn zeecontainers onroerend?’, NTBR 2000/5, p. 198.
Zie hierover o.m. B.G.P. Rogmans, Verkeersopvattingen, Deventer: Kluwer 2007, nr. 16.
Veelal zal de uiterlijke verschijningsvorm in overeenstemming zijn met de werkelijke wil van de bouwer. Indien dit echter niet zo is, is de naar buiten toe kenbare wil echter doorslaggevend. Zie tevens: J.E. Wichers, Natrekking, vermenging en zaaksvorming, (diss. Groningen), Deventer: Kluwer 2002, p. 109 en H.D. Ploeger, Horizontale splitsing van eigendom, (diss. Leiden), Deventer: Kluwer 1997, nr. 66.
Zie tevens A. Steneker, annotatie bij: HR 6 december 2012, ECLI:NL:HR:2012:BX7474, JOR 2013/65, waarin deze stelt: “Niet van elk onderdeel dat bestemd is om tijdelijk te blijven zitten en daarna te worden verwijderd, kan worden gezegd dat het in het algemeen geen bestanddeel is. Filters van een ventilatiesysteem die elk jaar moeten worden vervangen, zijn naar verkeersopvatting toch een bestanddeel. Onderdelen met een tijdelijke hulpfunctie, zoals steigers, lijmtangen, en tijdelijke stutbalken en steunpalen die als de bouw vordert weer zullen worden verwijderd, zijn naar verkeersopvatting geen bestanddeel en worden dat ook niet als wordt besloten ze te laten zitten.”
In 2012 formuleerde de Hoge Raad een derde aanwijzing voor de invulling van de verkeersopvatting van art. 3:4 lid 1 BW in het Groutankerarrest. 1 Hoewel de formulering van een derde aanwijzing ter invulling van de verkeersopvatting de indruk wekt dat de regeling van art. 3:4 lid 1 BW hiermee nader geconcretiseerd wordt, zet ik hier mijn vraagtekens bij. Om die reden zal in het navolgende dit arrest nader besproken worden.
Een groutanker is een verankeringselement, dat gebruikt wordt bij bouwprocessen ter stabilisatie van onder meer damwanden. Groutankers bestaan uit een holle, stalen staaf die onder een vooraf bepaalde helling de grond in wordt geboord. Het ene uiteinde van de staaf wordt ingebed in een cilinder van grout en het andere uiteinde bestaat uit een bundel strengen. De belangrijkste functie van groutankers is het opvangen van trekspanningen die ontstaan bij grondkerende constructies. Er bestaan tijdelijke groutankers (die geheel verwijderd kunnen worden) en permanente groutankers. Deze permanente groutankers blijven geheel achter in de grond, of worden slechts gedeeltelijk verwijderd.
In het Groutankerarrest was toestemming gegeven om voor de bouw van een tunnelbak ten behoeve van de spoorlijn tussen Amsterdam en Rotterdam een 96tal tijdelijke groutankers te plaatsen. Hierbij was de voorwaarde gesteld dat alle ankerstaven verwijderd zouden worden als het middendek van de tunnel was gesloten en dat er geen delen van de ankers in de grond zouden achterblijven in de 22 meter beneden het huidige maaiveld. Na voltooiing van de tunnelbak werd vervolgens toestemming gegeven de groutankers achter te laten in de grond. Later ontstond de vraag wie eigenaar is van deze groutankers: waren deze bestanddeel van de tunnelbak geworden op grond van art. 3:4 lid 1 BW, naar verkeersopvatting?2Hierdoor rees de vraag of een zaak die slechts een tijdelijke functie als hulpconstructie vervult en bestemd is om daarna verwijderd te worden een bestanddeel kan zijn in de zin van art. 3:4 lid 1 BW? Het hof oordeelde dat de groutankers beschouwd dienen te worden als bestanddeel van de tunnelbak op grond van art. 3:4 lid 1 BW:
“(...) aangezien zij dienden ter stabilisatie van de tunnelwand tijdens de bouwfase, met het oog waarop de constructie van de wand en die van de ankers op elkaar afgestemd waren. Of de groutankers na het gereedkomen van het werk al dan niet alle zijn losgekoppeld – partijen verschillen daarover van mening – is niet relevant. Daarbij komt dat de groutankers slechts een tijdelijke functie als hulpconstructie vervulden en daarom, overeenkomstig de oorspronkelijke plannen (conform draaiboek van de Kombinatie, productie 3 CvA) bestemd waren om na het vervullen van hun tijdelijke functie te worden verwijderd. Nu dat niet is gebeurd, zijn zij bestanddeel van de tunnelbak gebleven.” (...) “De enkele omstandigheid dat de groutankers na het gereedkomen van het werk – in afwijking van hun oorspronkelijke bestemming – zijn achtergelaten in de grond, kan daaraan niet afdoen.”3
De Hoge Raad casseerde de hofuitspraak, stellende dat:
“Hoewel de omstandigheid dat een zaak ten opzichte van een andere zaak een tijdelijke hulpfunctie vervult en bestemd is om daarna te worden verwijderd, in het algemeen een aanwijzing oplevert dat die zaak naar verkeersopvatting niet als onderdeel van de andere zaak kan worden aangemerkt, staat zulks niet altijd in de weg aan het oordeel dat desalniettemin sprake is van een bestanddeel, nu dat immers mede afhangt van de overige omstandigheden van het geval.”
Naar het oordeel van de Hoge Raad had het hof echter onvoldoende gemotiveerd waarom de groutankers bestanddeel zijn (geworden) van de tunnelbak:
“Het hof heeft zijn oordeel dat de groutankers bestanddeel van de tunnelbak zijn (geworden), gebaseerd op de omstandigheden (i) dat zij dienden ter stabilisatie van de tunnelwand tijdens de bouwfase en (ii) dat de constructie van de wand en die van de ankers met het oog op die stabilisatiefunctie op elkaar waren afgestemd. Zonder nadere motivering is dit oordeel echter onbegrijpelijk in het licht van de omstandigheid dat de groutankers slechts een tijdelijke functie als hulpconstructie tijdens de bouwfase vervulden en bestemd waren om daarna te worden verwijderd; zoals hiervoor in 3.5.2 is overwogen, levert deze omstandigheid immers in het algemeen een aanwijzing op dat naar verkeersopvatting geen sprake is van een bestanddeel. Weliswaar overweegt het hof dat de groutankers na het vervullen van hun functie (toch) niet zijn verwijderd, maar het heeft die omstandigheid alleen redengevend geacht voor zijn oordeel dat de groutankers bestanddeel van de tunnelbak zijn ‘gebleven’, terwijl niet zonder meer valt in te zien dat die omstandigheid van invloed zou kunnen zijn op de voorvraag of de groutankers bestanddeel van de tunnelbak zijn geworden.”
De derde aanwijzing die de Hoge Raad in het Groutankerarrest formuleerde, kan samengevat worden als: ‘indien een zaak slechts een tijdelijke functie vervult, in die zin dat deze bestemd is om verwijderd te worden, dan ligt hierin in het algemeen een aanwijzing dat de zaak geen bestanddeel is op grond van de verkeersopvatting van 3:4 lid 1 BW.’
Het formuleren van een derde aanwijzing lijkt, zoals gezegd, een verduidelijking van de regeling. Steneker [5]schrijft in zijn annotatie bij dit arrest dat ‘het leerstuk van bestanddeelvorming toch weer wat concreter is geworden’.4
De vraag is in hoeverre dit arrest de regeling van 3:4 lid 1 BW concretiseert. Dit is enerzijds gelegen in de – naar mijn mening – vage bewoordingen van de Hoge Raad, maar ook omdat de aanwijzing zelf c.q. de toepassing daarvan niet per se tot duidelijkheid leidt. In het onderhavige arrest oordeelde de Hoge Raad dat voor bestanddeelvorming naar verkeersopvatting (art. 3:4 lid 1 BW) het van belang is of een zaak slechts een tijdelijke functie vervult en bestemd is om verwijderd te worden. Of met andere woorden: niet bestemd is om duurzaam ter plaatse te blijven. De vergelijking met het bestemmingscriterium zoals geformuleerd in het Portacabinarrest dient zich aan. De vraag is hoe beoordeeld dient te worden of een zaak bestemd is om verwijderd te worden. Gaat het hierbij om de bedoeling van de plaatser (of ‘bouwer’ zoals in het Portacabinarrest)? De formulering van de Hoge Raad lijkt te impliceren dat de bedoeling van de bouwer voor de vraag of iets een tijdelijke functie vervult en bestemd is om verwijderd te worden niet naar buiten kenbaar hoeft te zijn. Dit zou ertoe leiden dat de subjectieve bedoeling van degene die de zaak (tijdelijk) plaatst, zou kunnen bepalen of bestanddeelvorming op grond van de verkeersopvatting in art. 3:4 lid 1 BW plaatsvindt. Bij het bepalen van de bedoeling van de bouwer voor het bepalen of een zaak roerend of onroerend is, is echter niet de subjectieve wil doorslaggevend5, maar is een objectivering aangebracht6: voor derden moet kenbaar zijn dat de zaak bestemd is om duurzaam ter plaatse te blijven.7 Moeilijk te verklaren is mijns inziens waarom het bij het bepalen of een gebouw of werk onroerend is (en daardoor in beginsel wordt nagetrokken door de eigendom van de grond) wel belangrijk is dat de zakenrechtelijke verhoudingen voor derden kenbaar zijn, terwijl dit voor bestanddeelvorming in de zin van art. 3:4 lid 1 BW niet van belang zou zijn.
Daarnaast rijst de vraag welk moment beslissend is voor het bepalen van de wil van de plaatser. Aanvankelijk was het de bedoeling van Prorail om de groutankers te verwijderen na de bouw van de tunnelbak. Op een later moment ontstond de wil om de groutankers juist achter te laten in de grond. Stel nu dat alvorens het plaatsen van de groutankers deze wilswijziging plaats had gevonden bij Prorail. De groutankers lagen echter al klaar en dezelfde groutankers als in het onderhavige arrest worden gebruikt ter stabilisatie van de tunnelbak tijdens de bouwfase. Waren deze dan wel bestanddeel van de tunnelbak op grond van de verkeersopvatting (art. 3:4 lid 1art. 3:4 lid 1 BW), aangezien deze van meet af aan bestemd waren om achter te blijven?
Ook de vage bewoordingen van de Hoge Raad bij de formulering van de Hoge Raad versterken mijn twijfels over de mate waarop het Groutankerarrest de regeling omtrent bestanddeelvorming concretiseert. Als een zaak een tijdelijke hulpfunctie vervult, is dit ‘in het algemeen een aanwijzing’ dat die zaak niet als bestanddeel van een andere zaak kan worden aangemerkt, maar dat dit wel ‘mede afhangt van de overige omstandigheden van het geval’. De formulering van de Hoge Raad in dezen is voorzichtig. Expliciet wordt bepaald dat voor de vraag of een zaak naar verkeersopvatting van art. 3:4 lid 1 art. 3:4 lid 1BW als bestanddeel van een andere zaak aangemerkt kan worden, afhangt van de omstandigheden van het geval. Dit lijkt te betekenen dat een zaak die een tijdelijke hulpfunctie vervult, wel een bestanddeel kán zijn op grond van art. 3:4 lid 1 BW. Het blijft derhalve afhangen van de omstandigheden van het geval.8
Desalniettemin zijn er drie aanwijzingen door de Hoge Raad geformuleerd voor de vraag of een zaak naar verkeersopvatting (in de zin van art. 3:4 lid 1 BW) bestanddeel is van een andere (hoofd)zaak:
Zijn gebouw en apparatuur in constructief opzicht op elkaar afgestemd?
Moet het gebouw uit een oogpunt van geschiktheid als fabrieksgebouw bij het ontbreken van de apparatuur als onvoltooid worden beschouwd.
Vervult de zaak slechts een tijdelijke functie in die zin dat deze bestemd is om verwijderd te worden?
Tot nu toe is enkel lid 1 van art. 3:4 BW besproken. Het kent echter ook een tweede lid.