De intrekking van beschikkingen, mede in Europees en rechtsvergelijkend perspectief
Einde inhoudsopgave
De intrekking van beschikkingen (SteR nr. 29) 2016/III.15.1.3:III.15.1.3 Veiligheid en openbare orde
De intrekking van beschikkingen (SteR nr. 29) 2016/III.15.1.3
III.15.1.3 Veiligheid en openbare orde
Documentgegevens:
B. de Kam, datum 01-03-2016
- Datum
01-03-2016
- Auteur
B. de Kam
- JCDI
JCDI:ADS382562:1
- Vakgebied(en)
Bestuursrecht algemeen / Europees bestuursrecht
Bestuursrecht algemeen / Besluit (algemeen)
Bestuursrecht algemeen / Bestuursbevoegdheden
Deze functie is alleen te gebruiken als je bent ingelogd.
In het kader van het rechtsterrein veiligheid en openbare orde zijn intrekkingsregelingen neergelegd in de Drank- en Horecawet en de Wet wapens en munitie onderzocht. De kern van de intrekkingsregeling van de DHw wordt gevormd door art. 31 van deze wet. Het eerste lid bevat een gebonden bevoegdheid tot intrekking, de bevoegdheid tot intrekking neergelegd in het tweede lid is discretionair van aard. Een verplichting tot intrekking bestaat wanneer de vergunninghouder bij zijn aanvraag onjuiste of onvolledige informatie heeft verstrekt, wanneer de vergunninghouder niet langer voldoet aan bepaalde (geschiktheids-)eisen, wanneer het van kracht blijven van de vergunning een gevaar oplevert voor de openbare orde, veiligheid of zedelijkheid en wanneer niet is voldaan aan een in de DHw opgenomen meldingsplicht. Een DHw-vergunning kan op grond van het tweede lid worden ingetrokken indien sprake is van een door de vergunninghouder begane overtreding. Naast intrekking kan een DHw-vergunning op grond van art. 32 DHw tijdelijk worden geschorst vanwege het feit dat de geadresseerde een overtreding heeft begaan. Verder kent de DHw in art. 33 nog de figuur van het van rechtswege vervallen van de DHw-vergunning. Dit geschiedt onder meer wanneer gedurende een zekere periode geen gebruik wordt gemaakt van de vergunning.
De intrekkingsregeling in de Wet wapens en munitie is neergelegd in art. 7 lid 2 van deze wet. Deze regeling geldt voor alle soorten toestemmingen die op grond van de WWM kunnen worden verkregen. Het betreft een discretionaire bevoegdheid tot intrekking, onder meer voor de situatie waarin sprake is van onjuiste gegevensverstrekking door de geadresseerde, indien de geadresseerde niet langer voldoende betrouwbaar wordt geacht dan wel indien niet wordt gehandeld conform aan de beschikking verbonden voorschriften. Art. 12 WWM bevat daarnaast een intrekkingsregeling welke specifiek geldt voor de erkenning. Het betreft eveneens een discretionaire bevoegdheid. De intrekkingsregelingen neergelegd in zowel de DHw als de WWM moeten geacht worden limitatief te zijn. Waar de DHw zowel een gebonden als een discretionaire bevoegdheid tot intrekking bevat, kent de WWM enkel een discretionaire bevoegdheid tot intrekking. Wat opvalt is dat de intrekking vanwege het feit dat de geadresseerde onjuiste informatie heeft verstrekt in de DHw een verplichting tot intrekking oplevert, terwijl in de WWM in dat geval een discretionaire bevoegdheid tot intrekking bestaat. De kwalificatie van de intrekking op grond van beide wetten blijkt niet eenvoudig, onder meer vanwege de verschillende instrumenten waarmee een beschikking kan worden aangetast. Daarbij komt dat in beide wetten intrekkingsgronden zijn neergelegd die wellicht lijken te liggen op het grensvlak tussen intrekking bij wijze van sanctie en beleidsmatige intrekking. Gewezen kan worden op de intrekking wegens gevaar voor de openbare orde en de intrekking vanwege het niet langer voldoen aan geschiktheidseisen. Over de wijze waarop de intrekkingsbevoegdheid moet worden uitgeoefend, bepalen beide wetten niets. Een en ander lijkt, gelet op het theoretisch kader, vooral af te hangen van de grond voor intrekking die zich voordoet.