De intrekking van beschikkingen, mede in Europees en rechtsvergelijkend perspectief
Einde inhoudsopgave
De intrekking van beschikkingen (SteR nr. 29) 2016/III.15.1.2:III.15.1.2 Subsidierecht
De intrekking van beschikkingen (SteR nr. 29) 2016/III.15.1.2
III.15.1.2 Subsidierecht
Documentgegevens:
B. de Kam, datum 01-03-2016
- Datum
01-03-2016
- Auteur
B. de Kam
- JCDI
JCDI:ADS374114:1
- Vakgebied(en)
Bestuursrecht algemeen / Europees bestuursrecht
Bestuursrecht algemeen / Besluit (algemeen)
Bestuursrecht algemeen / Bestuursbevoegdheden
Deze functie is alleen te gebruiken als je bent ingelogd.
Wat betreft het subsidierecht is de intrekkingsregeling neergelegd in de subsidietitel van de Awb onderzocht. In deze regeling wordt onderscheid gemaakt tussen de intrekking van de subsidieverleningsbeschikking (artt. 4:48 en 4:50 Awb) en intrekking van de subsidievaststellingsbeschikking (art. 4:49 Awb). De bevoegdheid tot intrekking van laatstgenoemde beschikking is beperkter, nu door middel van de vaststelling een definitieve aanspraak op subsidie bestaat. De verlening geeft slechts een voorlopige aanspraak op subsidie. Om die reden is de bevoegdheid tot intrekking van de verleningsbeschikking ruimer. Op grond van art. 4:48 Awb kan de subsidieverleningsbeschikking ex tunc worden ingetrokken in gevallen waarin kort gezegd de aanleiding voor intrekking is gelegen in het handelen van de subsidieontvanger of waarin de onjuistheid van de beschikking voor de subsidieontvanger kenbaar is of behoorde te zijn. De bevoegdheid tot intrekking van de verleningsbeschikking ex nunc is neergelegd in art. 4:50 Awb. Intrekking kan op grond van deze bepaling geschieden indien de verleningsbeschikking onjuist is, maar deze onjuistheid voor de geadresseerde niet kenbaar is of behoorde te zijn, dan wel indien sprake is van veranderde omstandigheden of gewijzigde inzichten. Intrekking mag enkel geschieden met inachtneming van een redelijke termijn en het bieden van compensatie aan de geadresseerde. Behalve gehele of gedeeltelijke intrekking van de beschikking tot subsidieverlening, kan op grond van art. 4:46 Awb de subsidie lager worden vastgesteld dan het bedrag van de verleningsbeschikking. Tot slot is in art. 4:51 Awb de bevoegdheid tot het beëindigen van een langlopende subsidie neergelegd. Formeel betreft dit een weigering voor een volgend subsidietijdvak, zij het dat in de praktijk veelal een beslissing tot beëindiging wordt genomen nog voordat een aanvraag voor een nieuw subsidietijdvak wordt gedaan. Deze beëindigingsbeslissing wordt dan getoetst aan art. 4:51 Awb, hetgeen onder meer inhoudt dat een redelijke termijn acht genomen moet worden.
De intrekkingsbepalingen neergelegd in de subsidietitel van de Awb zijn hoofdzakelijk limitatief. De bevoegdheid tot intrekking is steeds discretionair van aard. De gronden voor intrekking sluiten aan bij de gronden genoemd in het theoretisch kader. Het betreft grofweg intrekking vanwege een door de subsidieontvanger begane overtreding, intrekking wegens al dan niet kennelijke onjuistheid van de subsidiebeschikking, intrekking vanwege het door de subsidieontvanger verstrekken van onjuiste of onvolledige informatie en intrekking vanwege veranderde omstandigheden of gewijzigde inzichten. Wanneer de aanleiding voor intrekking is gelegen in het handelen van de subsidieontvanger of wanneer de gevolgen van de intrekking naar het oordeel van de wetgever voor risico van de subsidieontvanger behoren te komen, is intrekking ex tunc toegestaan. In andere gevallen mag intrekking slechts ex nunc geschieden. Gelet op de jurisprudentie levert de intrekking van een subsidiebeschikking doorgaans een herstelsanctie op, zij het dat deze jurisprudentie aan kritiek onderhevig is. Tot slot kan de intrekking van een subsidiebeschikking complicaties opleveren indien het Unierecht tot intrekking verplicht. Niet altijd bevat het nationale recht een grondslag voor intrekking. Ook de nationale algemene beginselen van behoorlijk bestuur, in het bijzonder het vertrouwensbeginsel, kunnen aan intrekking in de weg staan.