De intrekking van beschikkingen, mede in Europees en rechtsvergelijkend perspectief
Einde inhoudsopgave
De intrekking van beschikkingen (SteR nr. 29) 2016/III.15.1.5:III.15.1.5 Socialezekerheidsrecht
De intrekking van beschikkingen (SteR nr. 29) 2016/III.15.1.5
III.15.1.5 Socialezekerheidsrecht
Documentgegevens:
B. de Kam, datum 01-03-2016
- Datum
01-03-2016
- Auteur
B. de Kam
- JCDI
JCDI:ADS380177:1
- Vakgebied(en)
Bestuursrecht algemeen / Europees bestuursrecht
Bestuursrecht algemeen / Besluit (algemeen)
Bestuursrecht algemeen / Bestuursbevoegdheden
Deze functie is alleen te gebruiken als je bent ingelogd.
In het kader van het socialezekerheidsrecht is gekozen voor bestudering van de intrekkingsregelingen neergelegd in de Algemene ouderdomswet, de Participatiewet en de Werkloosheidswet. In de AOW wordt onderscheid gemaakt tussen de intrekking vanwege veranderde omstandigheden (aan de zijde van de geadresseerde), intrekking vanwege het feit dat sprake is van het ten onrechte of tot een te hoog bedrag verlenen van een ouderdomspensioen en de zogenaamde maatregel als reactie op het niet voldoen aan bepaalde voorschriften. In de Pw wordt onderscheid gemaakt tussen de intrekking en de maatregel (inhoudende verlaging van de bijstandsuitkering). De maatregel kan worden opgelegd indien verplichtingen neergelegd in de Participatiewet (met uitzondering van de algemene inlichtingenplicht) niet worden nagekomen dan wel sprake is van een tekortschietend besef van verantwoordelijkheid aan de zijde van de uitkeringsgerechtigde. Daarnaast kan intrekking geschieden op grond van art. 54 Pw, onder meer wanneer de algemene inlichtingenplicht niet wordt nagekomen of wanneer de uitkeringsgerechtigde anderszins onvoldoende medewerking verleent. In de Werkloosheidswet wordt voorts onderscheid gemaakt tussen het van rechtswege eindigen van het recht op uitkering vanwege het niet (langer) voldoen aan de voorwaarden die gelden om voor de uitkering in aanmerking te komen, het intrekken vanwege het feit dat ten onrechte of tot een te hoog bedrag een uitkering is verstrekt, dan wel wegens het niet (behoorlijk) nakomen van bepaalde verplichtingen niet meer valt vast te stellen of nog recht op uitkering bestaat. Tot slot kan ook op grond van de Werkloosheidswet een maatregel worden opgelegd.
Het antwoord op de vraag of de in deze wetten neergelegde intrekkingsgronden limitatief zijn, is niet voor alle hier bestudeerde wetten gelijk. De jurisprudentie ten aanzien van met name de Participatiewet laat zien, dat niet steeds is voorzien in een geschreven bevoegdheid tot intrekking. De bevoegdheden tot intrekking zijn veelal gebonden bevoegdheden. In uitzonderingsgevallen bestaat de mogelijkheid om van intrekking af te zien, namelijk wanneer sprake is van dringende redenen. Over de kwalificatie van in het bijzonder de maatregel kan worden getwijfeld. Hoewel zowel de wetgever als de rechter van oordeel zijn dat sprake is van een herstelsanctie, kan worden betwijfeld of dat ook steeds daadwerkelijk het geval is. Voorts geldt dat uitkeringen op grond van de jurisprudentie van het EHRM onder het bereik van art. 1 EP vallen, met als gevolg dat de in die bepaling neergelegde waarborgen in acht genomen moeten worden. In de bestudeerde wetten en de daarop gebaseerde (beleids)regelgeving is bepaald in welke gevallen intrekking al dan niet met terugwerkende kracht mag geschieden. Een en ander blijkt in sterke mate aan te sluiten bij het theoretisch kader.